Het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 8 december 2025 (nr. 2025-25099) wijzigt het Besluit onroerende zaken omzetbelasting van 12 december 2023 (nr. 2023-26908) met als doel het vastgoed-btw‑beleid te actualiseren in het licht van recente jurisprudentie en de tariefswijziging voor logies per 1 januari 2026. In het bijzonder wordt de uitleg van bepaalde begrippen en goedkeuringen aangescherpt, zodat de praktijk beter wordt geleid bij de kwalificatie van vastgoedtransacties.
Een belangrijk onderdeel van de wijziging betreft de verwerking van het arrest Lomoco (C‑594/23) en diverse uitspraken van Hof Arnhem‑Leeuwarden. Daarmee wordt de grens tussen belaste levering van bouwterreinen of nieuwe gebouwen en vrijgestelde levering van bestaande onroerende zaken preciezer afgebakend, wat met name voor ontwikkelaars en beleggers van groot belang is bij de structurering van projecten. De aangepaste teksten geven meer houvast bij de beoordeling of sprake is van een nieuw vervaardigde onroerende zaak of van een bestaande onroerende zaak. Voorheen werd in de Nederlandse praktijk en in het vastgoedbesluit sneller aangenomen dat een terrein met fundering(en) al als bebouwde grond/gebouw kon kwalificeren, waardoor eerder werd uitgegaan van levering van (nieuw) vastgoed in plaats van bouwterrein. Het Lomoco‑arrest is toegevoegd omdat het Hof van Justitie daarin duidelijk maakt dat een terrein waarop alleen funderingen zijn aangebracht, voor de btw geen “gebouw” is maar een bouwterrein.
Verder speelt de wijziging in op de afschaffing van het verlaagde btw‑tarief voor logies per 1 januari 2026. De relevante onderdelen van het besluit over logies en aanverwante diensten zijn hierop aangepast, zodat duidelijk is dat in beginsel het algemene btw‑tarief van toepassing is op diverse vormen van verblijf, zoals short‑stay en aparthotels, tenzij een specifieke uitzondering geldt. Dit dwingt exploitanten van logiesverstrekkers tot een herbeoordeling van hun prijsstelling, contracten en administratieve verwerking van btw.