Archive

Eerdere Publicaties

December 2015 – Special Eindejaarstips 2015

Tips voor alle belastingplichtigen

1. Voorlopige aanslag 2016 een tegenvaller?
Volgend jaar wordt de derde schijf in de inkomstenbelasting langer. Dat wil zeggen dat u pas bij een inkomen boven de € 66.000 in de vierde schijf terechtkomt en 52% inkomstenbelasting gaat betalen. Dit klinkt aantrekkelijk, maar heeft ook een keerzijde indien u bijvoorbeeld hypotheekrenteaftrek claimt. Aftrekposten worden namelijk ook minder waard.

Let op! De inkomstenbelasting gaat naar beneden, maar helaas uw teruggaaf ook. Het oprekken van de derde schijf volgend jaar tot € 66.000 kan u minder teruggaaf opleveren. Alleen als uw inkomen – ook na de renteaftrek – in het hoogste tarief zit, merkt u er niets van.

2. Breng uw lijfrentepremie in aftrek
Koop dit jaar nog een lijfrente of stort op uw lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht. De premies die u voor een lijfrenteverzekering betaalt of de stortingen die u doet op een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht, kunt u in aftrek brengen op uw inkomen in box 1 in de aangifte inkomstenbelasting. Let er wel op dat u voldoet aan de voorwaarden. Zo moet u zelf de premies hebben betaald of gestort en moet er sprake zijn van onvoldoende pensioenopbouw. Onze adviseurs kunnen u nader informeren over de voorwaarden en de hoogte van uw maximale premie berekenen.

Let op! De premies zijn alleen aftrekbaar in uw aangifte inkomstenbelasting 2015 als u de premies ook daadwerkelijk betaald heeft in 2015.

3. Profiteer van de nieuwe regels voor tussentijds afkopen van uw lijfrente
Het tussentijds afkopen van een lijfrente is fiscaal niet toegestaan. Over de afkoopsom moet u belasting betalen en mogelijk ook revisierente. Voorheen was de belasting verschuldigd over minimaal de betaalde premies. Dit noemde men de minimumwaarderingsregel. Als het bedrag van de betaalde premies echter hoger was dan de afkoopwaarde van de lijfrente, kon dit heel vervelend uitpakken. Het kon zelfs zo zijn dat de afkoopsom die u zou ontvangen lager was dan het bedrag dat u aan belasting kwijt zou zijn. Deze regel is nu afgeschaft. Voortaan betaalt u alleen belasting (en mogelijk revisierente) over de afkoopwaarde van de lijfrente.

Tip: Heeft u in het verleden uw lijfrente niet afgekocht vanwege de afrekening over minimaal de betaalde premies, dan kunt u dat nu alsnog doen. U rekent dan af over de afkoopwaarde.

4. Vraag alsnog te veel betaalde belasting over afgekochte lijfrente terug
Heeft u in 2010 of latere jaren uw lijfrente afgekocht? En heeft u daarbij afgerekend over de betaalde premies in plaats van over de lagere afkoopwaarde? Dan kunt u nu ook profiteren van afschaffing van de minimumwaarderingsregel. Voor het jaar 2010 moet u wel enige vaart maken: dit kan nog tot het einde van 2015. Vraag onze adviseurs naar uw mogelijkheden.

5. Bespaar op de vermogensrendementsheffing
Op 1 januari 2016 wordt de waarde van uw vermogen voor box 3 bepaald. Wilt u de belastingheffing op uw vermogen beperken, onderneem dan vóór die datum actie door uw vermogen te verminderen. Beleg bijvoorbeeld uw vermogen groen.

Tip: U kunt op de vermogensrendementsheffing besparen door uw vermogen te beleggen in bijvoorbeeld groene beleggingen of niet ter belegging gehouden kunst en antiek. Hiervoor geldt namelijk een vrijstelling in box 3. Daarnaast bestaat nog een aantal alternatieven om de heffing op uw vermogen te reduceren. Overleg deze met uw adviseur over uw mogelijkheden.

6. Nieuw uiterlijk voor box 3 in 2017
Houd rekening met een nieuwe vorm van belastingheffing in box 3 vanaf 2017. De Tweede en Eerste Kamer zijn er nog niet uit, maar de plannen liggen klaar. Als de plannen doorgaan, sluit vanaf 1 januari 2017 de vermogensrendementsheffing beter aan bij de werkelijk behaalde rendementen op uw gespaard vermogen in box 3. U krijgt te maken met een vermogensmix en drie schijven met ieder een eigen forfaitair rendementspercentage. Het belastingtarief in box 3 blijft 30% en het heffingsvrij vermogen gaat naar € 25.000 per persoon. Het forfaitair rendement wordt vastgesteld op basis van de werkelijk behaalde rendementen over spaargelden en beleggingen. Het forfaitair rendement van 4% wordt vervangen door een staffel van jaarlijks veranderende rendementen. Voor het jaar 2017 geldt tot een belastbaar vermogen van € 100.000 (per belastingplichtige) een forfaitair rendement van 2,9%, tussen € 100.000 en € 1 miljoen geldt een percentage van 4,7% en daarboven van 5,5%.

Tip: Overleg met uw adviseur wat de gevolgen van de nieuwe plannen zijn voor uw vermogen in box 3 en laat u informeren over uw mogelijkheden.

7. Einde ouderentoeslag nabij
U kunt nog voor de laatste keer een beroep doen op de ouderentoeslag in de aangifte inkomstenbelasting 2015. Daarna komt de ouderentoeslag te vervallen. De ouderentoeslag is een verhoging van het heffingsvrij vermogen. Dit is het bedrag waarover u in box 3 geen belasting hoeft te betalen.

Let op! U heeft alleen recht op de ouderentoeslag wanneer u aan het eind van het kalenderjaar de AOW-leeftijd heeft bereikt en uw inkomen uit werk en woning (box 1) niet meer is dan € 20.075 (2015). Bovendien mag uw vermogen na aftrek van het heffingsvrij vermogen (grondslag sparen en beleggen) en vóór toepassing van de ouderentoeslag niet meer bedragen dan € 282.226 (€ 564.451 voor fiscale partners (2015)).

8. Laatste kans op voordelige afkoop levenslooptegoed
U krijgt tot 31 december 2015 de kans om fiscaal voordelig uw levenslooptegoed in één keer op te nemen. Slechts 80% van de waarde van uw levenslooptegoed op 31 december 2013 wordt dan belast. Is uw saldo op het moment van opname hoger dan op 31 december 2013, dan wordt het verschil wel voor 100% van de waarde belast.

Let op! Of een opname in één keer in 2015 voor u een voordelig alternatief is, is volledig afhankelijk van uw persoonlijke omstandigheden. Denk hierbij aan het belastingtarief dat voor u van toepassing is, uw (overig) vermogen in box 3 en bijvoorbeeld uw oorspronkelijke bestedingsdoel. Onze adviseurs kunnen u nader informeren en adviseren over een keuze hierin. U bent niet verplicht om gebruik te maken van de 80%-regeling. U mag ook nog tot en met het jaar 2021 blijven deelnemen aan de levensloopregeling. Neemt u het tegoed in 2016 of later op, dan is dit nog steeds bestedingsvrij, maar wel volledig belast.

9. Breng kinderalimentatieverplichtingen in aftrek in box 3
Vanaf 2017 kunnen kinderalimentatieverplichtingen niet meer als schuld in box 3 worden opgevoerd. Bij het vervallen van de aftrek van kinderalimentatie in box 1 (aftrek uitgaven levensonderhoud kinderen) per 1 januari 2015 is over het hoofd gezien dat hiermee de verplichting als schuld in box 3 in aanmerking kan worden genomen. Dit schept nog kansen.

Tip: U kunt de waarde van de kinderalimentatieverplichting in uw aangifte inkomstenbelasting over 2015 en 2016 opvoeren als schuld in box 3.
10. Wisselende inkomsten?
Middeling biedt uitkomst Heeft u te maken met ‘schommelende’ inkomsten? Dan kan middeling uitkomst bieden. Ga na of u de afgelopen jaren sterk wisselende inkomsten in box 1 van de inkomstenbelasting heeft gehad. U heeft dan waarschijnlijk meer belasting betaald dan wanneer de inkomsten gelijkmatig waren geweest. Door over een periode van drie aaneengesloten kalenderjaren uit te gaan van de gemiddelde inkomsten, kan middeling in een aantal gevallen leiden tot een teruggaaf van te veel betaalde belasting. Er geldt een drempel van € 545.

Let op! U moet zelf een schriftelijk verzoek om middeling indienen bij de Belastingdienst. Ook moet u hierbij een berekening van de middelingsteruggaaf meesturen.

Tips voor ondernemers en rechtspersonen

Houd rekening met wijziging in de RDA
Per 1 januari 2016 wordt de Research & Developmentaftrek (RDA) hoogstwaarschijnlijk samengevoegd met de WBSO. Die samenvoeging heeft tot gevolg dat voor beide innovatieregelingen dezelfde voordeelpercentages gaan gelden en dat het plafond vervalt. Door deze wijzigingen kan het verstandig zijn om nog snel kosten te maken voor de RDA of dit juist uit te stellen.

Let op! Heeft u in de afgelopen jaren een RDA-beschikking gehad voor een 20%-deel van S&O-uitgaven van € 1 miljoen of meer, dan geldt een overgangsregeling. Deze resterende 20%-delen mag u in de komende kalenderjaren nog opvoeren onder de nieuwe samengevoegde regeling.

Let op wijzigingen S&O-afdrachtvermindering 
In verband met de geplande samenvoeging van de RDA en de WBSO per 1 januari 2016, wordt de S&O-afdrachtvermindering aangepast. Enkele wijzigingen op een rij:
• Het schijventarief en de schijfgrenzen worden aangepast.
• Het starterspercentage in de eerste schijf gaat van 50% naar 40%.
• Het plafond in de S&O-afdrachtvermindering vervalt.
• Er wordt een forfait in de S&O-afdrachtvermindering geïntroduceerd.
• Publieke kennisinstellingen worden uitgesloten van de regeling.
• Er zijn enkele wijzigingen in subsidiabele werkzaamheden.

Let op! Vraag uw WBSO voor 2016 uiterlijk 30 november 2015 aan. Komt uw aanvraag later binnen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), dan gaat de WBSO ook later dan 1 januari 2016 in! Voor zelfstandig ondernemers geldt dat zij nog tot en met 1 januari 2016 de tijd hebben om hun WBSO-aanvraag in te dienen voor innovatiewerkzaamheden die op die datum starten. 

Tip: RVO.nl heeft een handleiding opgesteld voor de WBSO 2016. Deze is terug te vinden op de site van RVO.nl onder publicaties.

Kans op krediet vergroot
Heeft uw onderneming geld nodig? Kijk dan of u in aanmerking komt voor een MKB-krediet. Er komt bijna een miljard aan extra financiering beschikbaar. Een MKB-krediet is een zakelijke lening voor een kredietbehoefte van minimaal € 50.000 en maximaal € 250.000 voor startende en bestaande ondernemers in het MKB. Ook zijn er nieuwe kredietmogelijkheden voor het MKB gelanceerd. Wilt u bijvoorbeeld een bedrijfspand kopen, een verbouwing financieren, investeren in inventaris of vervoersmiddelen of een bedrijf overnemen, dan kan het MKB-krediet uitkomst bieden.

Tip: Op www.nationalefinancieringswijzer.nl kunt u nadere informatie vinden.

Maak gebruik van de investeringsaftrek
Heeft u in 2015 geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen? Kijk dan of u in aanmerking komt voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. U dient wel investeringen te hebben gedaan tussen de € 2.300 en € 309.693. Komt u onder de drempel van € 2.300? Dan kan het misschien aantrekkelijk zijn om nog voor het eind van het jaar een investering te doen. Dreigt u het maximum van € 309.693 te overschrijden, dan kan het wellicht aantrekkelijk zijn om uw investeringen uit te stellen naar 2016.

Tip: Het kan ook lonen om grote investeringen te spreiden over meerdere jaren. De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek neemt namelijk af naarmate het totale investeringsbedrag groter wordt. Voldoet u aan alle voorwaarden? Doe in de aangifte 2015 dan een beroep op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Heeft u in het verleden ook investeringen gedaan zonder beroep op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, dan kunt u alsnog binnen vijf jaar de Belastingdienst verzoeken om toepassing van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.

Let op! Niet alle bedrijfsmiddelen komen in aanmerking voor de investeringsaftrek. Zo zijn bedrijfsmiddelen met een investeringsbedrag van minder dan € 450 uitgesloten, maar ook bijvoorbeeld goodwill, grond, woonhuizen en personenauto’s die niet bestemd zijn voor beroepsvervoer.

Houd rekening met de desinvesteringsbijtelling
Heeft u in de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van de investeringsaftrek en verkoopt u het bedrijfsmiddel weer of stoot u het bedrijfsmiddel af, dan krijgt u mogelijk te maken met de desinvesteringsbijtelling, waardoor u een gedeelte van de aftrek weer terug moet betalen. Houd hier dus rekening mee. Door de vijfjaarsgrens kan het handig zijn om een desinvestering nog even uit te stellen.

Zoek uit voor welke investeringsregelingen u in aanmerking kunt komen
Wanneer u milieuvriendelijk of energiezuinig investeert, zijn er diverse interessante fiscale investeringsfaciliteiten, zoals de energie-investeringsaftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) of de willekeurige afschrijving op milieubedrijfsmiddelen (VAMIL). Toets of u in aanmerking komt voor de EIA, MIA of VAMIL.

Let op! Voor EIA en MIA/VAMIL moet u de investering melden bij RVO.nl, binnen drie maanden nadat u de investeringsverplichting bent aangegaan. Bent u te laat, dan komt u niet meer in aanmerking voor de aftrek!

Tip: U kunt naast de EIA of de MIA/VAMIL ook gebruikmaken van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Voor toepassing van de EIA en de MIA/VAMIL moet u investeren in nieuwe bedrijfsmiddelen. Tweedehands bedrijfsmiddelen komen dus niet in aanmerking. Voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek hoeft een bedrijfsmiddel niet nieuw te zijn.

Beoordeel uw voorlopige aanslag en voorkom hoge belastingrente
De regels omtrent de rente bij de Belastingdienst zijn de afgelopen jaren drastisch gewijzigd. Zo is de rente zeer hoog, zeker in vergelijking met het huidige rendement op een spaarrekening. Daarnaast behoort sparen bij de Belastingdienst tot het verleden, omdat in principe geen rente meer vergoed wordt. Gelukkig kunt u de hoge belastingrente voorkomen door tijdig een juiste voorlopige aanslag aan te vragen.

Tip: De Belastingdienst berekent pas rente vanaf 1 juli na afloop van het belastingjaar. Voor het belastingjaar 2015 wordt dus vanaf 1 juli 2016 belastingrente in rekening gebracht. Heeft u een gebroken boekjaar, dan moet u nu al opletten. Bij een gebroken boekjaar wordt namelijk vanaf de zevende maand na afloop van het boekjaar rente berekend. Eindigt uw boekjaar bijvoorbeeld op 1 juli 2015, dan bent u vanaf 1 januari 2016 rente verschuldigd. De belastingrente bedraagt momenteel voor de vennootschapsbelasting 8,05%. Voorkom deze hoge rente en zorg dat uw voorlopige aanslag overeenstemt met de werkelijkheid. Dit geldt niet alleen voor de vennootschapsbelasting. Voor andere belastingen (waaronder de inkomstenbelasting) is de rente misschien minder hoog, maar met 4% nog steeds fors.

Let op! Is uw aangifte 2014 nog niet ingediend en is de gerealiseerde winst anders dan waarmee in uw voorlopige aanslag(en) rekening is gehouden? Zorg dan zo snel mogelijk voor een nadere voorlopige aanslag en voorkom dat de hoge rente langer doorloopt dan nodig is.

Pas ook uw te hoge voorlopige aanslag aan
Sparen bij de Belastingdienst is al een tijdje niet meer mogelijk. Heeft u een bedrag van de Belastingdienst tegoed, bijvoorbeeld omdat uw voorlopige aanslag te hoog is, dan krijgt u over het algemeen geen rente vergoed.

Tip: Is uw voorlopige aanslag te hoog, verzoek dan om een lagere voorlopige aanslag. Laat u het geld bij de Belastingdienst staan, dan krijgt u hierover geen rente vergoed.

Beoordeel uw winst
Aan het eind van het jaar heeft u meer duidelijkheid over uw winstpositie. Beoordeel of uw winst in lijn ligt met de verwachtingen. Wellicht overschrijdt u net de belastingschijf in de vennootschapsbelasting van € 200.000. Hierboven bedraagt de belasting 25% in plaats van 20%. Of komt u in de inkomstenbelasting in het hoogste tarief? Het kan dan aantrekkelijk zijn om uw winst te verlagen door bijvoorbeeld een geplande investering over 2016 naar voren te halen. Houd hierbij wel rekening met de invloed die dit heeft op uw totale kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.

Tip: Wijkt uw winst af, vraag dan op tijd een nieuwe voorlopige aanslag aan. Hiermee voorkomt u de hoge belastingrente of, bij een teruggave, voorkomt u dat uw geld renteloos uitstaat bij de Belastingdienst.

Vraag uitstel van betaling aan
Kunt u uw belastingschulden (tijdelijk) niet op tijd voldoen? Vraag dan kort telefonisch uitstel van betaling aan de Belastingdienst. De Belastingdienst verleent maximaal vier maanden uitstel van betaling. De Belastingdienst verleent alleen kort telefonisch uitstel als:

• uw totale openstaande belastingschuld minder dan € 20.000 bedraagt,
• u nog geen dwangbevel heeft gekregen voor de openstaande belastingschuld,
• in de openstaande belastingschuld geen onbetaalde vergrijpboete is begrepen,
• u voor de openstaande belastingschuld niet eerder uitstel van betaling kreeg en
• er geen sprake is van een aangifteverzuim, oftewel u heeft altijd tijdig aangifte gedaan.

Let op! Een belastingschuld waarvoor u uitstel van betaling heeft in verband met een bezwaarschrift telt niet mee voor de grens van € 20.000. Houd er ook rekening mee dat de Belastingdienst u wel invorderingsrente in rekening brengt.

Tip: Denkt u dat u uw openstaande belastingschulden niet binnen maximaal vier maanden kunt betalen? Vraag dan meteen schriftelijk uitstel van betaling aan voor een langere periode. De Belastingdienst verleent namelijk geen uitstel van betaling voor aanslagen waarvoor al eerder kort telefonisch uitstel van betaling is verleend.

Bedrijfsmiddel verkocht?
Vorm een herinvesteringsreserve Ga na of u dit jaar een bedrijfsmiddel verkocht heeft en daarbij boekwinst heeft behaald. U kunt dan de belastingheffing over de boekwinst uitstellen door deze te reserveren in een herinvesteringsreserve. U moet dan wel een vervangingsvoornemen hebben en houden. De herinvesteringstermijn bedraagt maximaal drie jaar na het jaar waarin u het bedrijfsmiddel heeft verkocht. Investeert u binnen deze termijn in een ander bedrijfsmiddel? Dan kunt u de herinvesteringsreserve afboeken op de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel.

Tip: Stelt u bepaalde vermogensbestanddelen ter beschikking aan bijvoorbeeld uw bv? Dan mag u als terbeschikkingsteller ook een herinvesteringsreserve vormen.

Laat uw herinvesteringstermijn niet verlopen
Heeft u in het verleden al een herinvesteringsreserve gevormd? Kijk dan of uw herinvesteringstermijn niet is verlopen. Dit betekent dat u de herinvesteringsreserve die u in 2012 gevormd heeft, nog vóór 31 december 2015 moet benutten. Zo niet, dan komt de herinvesteringsreserve vrij te vallen en bent u belasting verschuldigd. Investeer daarom op tijd!

Let op! Gaat u de herinvesteringstermijn niet halen? U kunt dan in bijzondere omstandigheden en onder strikte voorwaarden de herinvesteringstermijn laten verlengen. Dit kan alleen met toestemming van de Belastingdienst.

Maak gebruik van uw ondernemingsverlies
Heeft u ondernemingsverlies geleden in het verleden, kijk dan of u deze op tijd kunt verrekenen met uw ondernemingswinsten. U kunt namelijk uw verlies in de vennootschapsbelasting verrekenen met de belastbare winst uit het voorafgaande jaar (carry-back) of met de winsten uit de komende negen jaar (carry-forward). Uw ondernemingsverlies in de inkomstenbelasting kunt u verrekenen in box 1 met positieve inkomsten uit de drie voorafgaande jaren en de negen volgende jaren.

Tip: Loopt u het risico dat uw verlies verloren gaat vanwege het verlopen van de termijn? Beoordeel dan of er mogelijkheden zijn om uw winst te verhogen. U kunt bijvoorbeeld bepaalde uitgaven uitstellen of omzetten eerder realiseren. Een in januari geplande verkoop van een bedrijfsmiddel wordt dan wellicht in december extra aantrekkelijk. Overleg met uw adviseur over de mogelijkheden.

Let op! Heeft u in 2009, 2010 of 2011 gebruikgemaakt van de verruimde verliesverrekening, dan bedraagt uw voorwaartse verliesverrekening maximaal zes in plaats van negen jaar. Een openstaand verlies uit 2009 kan dan alleen nog met een winst in 2015 verrekend worden en zal daarna verloren gaan.

Vraag een voorlopige verliesverrekening aan
Heeft u in 2014 een winst behaald, maar sluit u 2015 vermoedelijk af met een verlies? Dan kunt u de Belastingdienst na het indienen van de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting 2015 verzoeken om een voorlopige verliesverrekening. De Belastingdienst zal dan alvast 80% van het vermoedelijke verlies verrekenen met de winst van 2014. Let op! Voorlopige verliesverrekening levert u een liquiditeitsvoordeel op, want u kunt sneller beschikken over een deel van het nog terug te verwachten belastinggeld. De voorlopige verliesverrekening wordt naderhand verrekend met de definitieve verliesverrekening.

Tip: Heeft u in 2013 een winst behaald en heeft u 2014 met een verlies afgesloten? Vraag dan na indiening van de aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting 2014 om voorlopige verliesverrekening. Ook in dit geval zal de Belastingdienst dan alvast 80% van dit verlies 2014 verrekenen met de winst van 2013.

Houd rekening met wijziging van VAR naar modelovereenkomsten
De Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) verdwijnt en wordt vervangen door modelovereenkomsten. De Eerste Kamer moet nog instemmen, maar de plannen zijn bekend. Het was de bedoeling dat de VAR vanaf 1 januari 2016 zou worden afgeschaft, maar onlangs is bekend geworden dat dit is uitgesteld tot 1 april 2016.

Tip: Tot 1 april 2016 kunt u zich als opdrachtgever in ieder geval beroepen op de vrijwarende werking van de VAR. Als de VAR definitief is afgeschaft, kunt u alleen nog vrijwaring krijgen als u werkt volgens door de Belastingdienst beoordeelde en goedgekeurde modelovereenkomsten. Het is overigens niet verplicht om volgens zo’n overeenkomst te werken, maar u krijgt dan niet de gewenste vrijwaring. Op de website van de Belastingdienst is al een aantal beoordeelde en goedgekeurde modelovereenkomsten te vinden. U kunt bovendien uw eigen overeenkomst aan de Belastingdienst voorleggen ter goedkeuring.

Overleg met uw uitlener/onderaannemer over een G-rekening
Het is per 1 januari 2016 niet meer mogelijk om rechtstreeks te storten naar de Belastingdienst. De zogenoemde WKA-depotrekeningen worden per die datum opgeheven. Voor inleners en aannemers betekent dit dat een rechtstreekse storting hen niet meer vrijwaart van de inleners- en ketenaansprakelijkheid voor de loonheffingen en de btw. Vanaf 1 januari 2016 kan alleen een storting op een G-rekening van de uitlener of de onderaannemer nog vrijwaring opleveren.

Vraag btw over facturen van niet-betalende debiteuren terug
U kunt btw die u al heeft afgedragen maar niet (meer) van de debiteur kunt innen, terugvragen bij de Belastingdienst. Dit moet u doen in een apart verzoek. U kunt deze btw niet terugvragen op een suppletieformulier of in de normale btw-aangifte. Vraag de btw op tijd terug. Op dit tijd wil zeggen binnen één maand na afloop van het aangiftetijdvak waarin is gebleken dat de debiteur niet zal betalen.

Tip: Stuur de factuur mee.

Meld verbreken fiscale eenheid voor de btw zo snel mogelijk
Indien u niet langer voldoet aan de voorwaarden voor het bestaan van een fiscale eenheid voor de btw, loopt de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de btw-schulden voor alle ondernemingen binnen de fiscale eenheid door tot het moment de Belastingdienst schriftelijk op de hoogte is gesteld van het verbreken van de fiscale eenheid. De fiscale eenheid wordt niet met terugwerkende kracht beëindigd. Meld daarom het verbreken van de fiscale eenheid btw zo snel mogelijk schriftelijk bij de Belastingdienst en voorkom dat de aansprakelijkheid langer dan noodzakelijk blijft bestaan.

Pas de KOR toe
Indien u op jaarbasis maximaal € 1.883 aan btw (na aftrek van voorbelasting) bent verschuldigd, komt u in aanmerking voor de kleineondernemersregeling (KOR). In dat geval hoeft u een deel van de btw niet hoeft te voldoen. Er geldt zelfs een vermindering van 100% indien u op jaarbasis niet meer dan € 1.345 aan btw bent verschuldigd. Ga na of u de KOR kunt toepassen.

Let op! De KOR kan alleen worden toegepast door natuurlijke personen.

Houd de herzieningstermijn in de gaten
Heeft u in de afgelopen tien jaar een onroerende zaak met btw aangeschaft, let er dan op dat de in aftrek gebrachte btw in het aanschafjaar en de negen opvolgende jaren wordt gecorrigeerd als die onroerende zaak meer of minder wordt gebruikt voor btw-belaste prestaties en btw-vrijgestelde prestaties. Als de verhouding van het gebruik btw-belaste versus btw-vrijgestelde prestaties is gewijzigd ten opzichte van het gebruik waarvan u uitging op het moment van aanschaf, dan moet u meer of minder btw betalen. Deze herzienings-btw geeft u op in de laatste btw-aangifte van het jaar. Uw adviseur kan u hierover meer vertellen.

Let op! Ook voor roerende zaken waarop wordt afgeschreven of waarop kan worden afgeschreven geldt een herzieningstermijn. De termijn hiervoor bedraagt echter vijf jaar.

Verricht uw huurder nog voldoende btw-belaste prestaties?
Verhuurt u een onroerende zaak en heeft u met uw huurder gekozen voor btw-belaste verhuur? Let er dan op dat uw verhuurder ten minste 90% (sommige situaties 70%) btw-belaste prestaties verricht. Doet hij dat niet meer, dan mag u niet langer btw-belast verhuren aan deze huurder, maar moet u vrijgesteld verhuren. Dit heeft gevolgen voor uw inkoop-btw – bijvoorbeeld op onderhoud –, die dan niet langer aftrekbaar is. Bovendien loopt u binnen de herzieningstermijn aan tegen gedeeltelijke herziening van de btw op de aanschaf van de onroerende zaak. Uw huurder is verplicht om u binnen vier weken na afloop van het boekjaar te informeren als hij de onroerende zaak niet ten minste 90% voor btw-belaste prestaties gebruikt.

Let op! Als de huurder in een jaar niet voldoet aan de voorwaarde dat hij de onroerende zaak voor ten minste 90% btw-belast gebruikt, hoeft u niet in alle gevallen de btw-belaste verhuur met terugwerkende kracht te corrigeren naar vrijgestelde verhuur. Onze adviseurs kunnen u hierover nader informeren.

Tip: Vraag uw huurder om binnen vier weken na afloop van het boekjaar schriftelijk aan u te verklaren of hij de onroerende zaak ten minste 90% zakelijk gebruikt.

Verricht uw koper nog voldoende btw-belaste prestaties?
Heeft u een onroerende zaak verkocht en met de koper geopteerd voor btw-belaste verkoop? Dan geldt het jaar van levering en het daarop volgende jaar als referentieperiode. De koper moet binnen vier weken na afloop van die referentieperiode verklaren of hij de onroerende zaak voor ten minste 90% (sommige situaties 70%) heeft gebruikt voor btw-belaste prestaties. Heeft hij de onroerende zaak voor minder dan 90% voor btw-belaste prestaties gebruikt, dan wordt de levering van de onroerende zaak met terugwerkende kracht een btw-vrijgestelde levering. Dit heeft btw-gevolgen voor de verkoper en koper. Onze adviseurs kunnen u hierover meer vertellen.

Tip: Vraag de koper van de met btw geleverde onroerende zaak om binnen vier weken na de referentieperiode te verklaren of het btw-belaste gebruik ten minste 90% is.

Denk aan privégebruik auto in uw laatste btw-aangifte
Gebruikt u als ondernemer de auto van de zaak ook privé, dan moet u voor de btw met dit privégebruik rekening houden. De eventueel verschuldigde btw geeft u aan en betaalt u bij de laatste btw-aangifte van het jaar. De btw op de aanschaf, eventuele leasekosten, het onderhoud en het gebruik van een zakelijke auto kunt u aftrekken voor zover u de auto gebruikt voor belaste omzet. Als u deze auto ook privé gebruikt, moet u over het privégebruik btw betalen. U kunt daarvoor gebruikmaken van een forfaitaire regeling. Voor de btw-heffing over het privégebruik gaat u dan uit van 2,7% van de catalogusprijs van de auto, inclusief btw en bpm.

Tip: Voor de auto die vijf jaar (inclusief het jaar van ingebruikneming) in de onderneming is gebruikt en tot uw bedrijfsvermogen hoort, geldt een lager forfait van 1,5%. Heeft u bij de aankoop van de auto geen btw in aftrek gebracht, dan mag u voor de berekening van het privégebruik eveneens uitgaan van 1,5%.

Let op! U hoeft geen gebruik te maken van de forfaitaire regeling. U mag namelijk ook btw betalen over het werkelijke privégebruik. Dit kan soms voordeliger zijn dan de forfaitaire regeling. U moet dan wel een kilometeradministratie bijhouden.

Let op verlaagde drempel opgaaf ICL
Levert u aan ondernemers in andere EU-lidstaten? Dan moet u vanaf 1 januari 2016 uw opgaaf intracommunautaire leveringen (ICL) per maand doen indien het totaalbedrag van deze leveringen hoger is dan € 50.000 per kwartaal. Tot nu toe bedroeg deze drempel € 100.000.

Tip: Houd rekening met de verlaging van de drempel van € 100.000 naar € 50.000 en beoordeel of u vanaf 1 januari 2016 maandelijks ICP-opgaaf moet gaan doen. Zorg dat u tijdig opgaaf doet. Als de opgaaf ICP niet of niet tijdig wordt ingediend, kan de Belastingdienst verzuimboetes opleggen.

Tips voor de ondernemer en de inkomstenbelasting

Houd een urenadministratie bij
Wilt u profiteren van een aantal aantrekkelijke ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek voor beginnende ondernemers en de meewerkaftrek, dan zult u moeten voldoen aan het urencriterium. Oftewel, u moet elk jaar minimaal 1.225 uren werken aan, in en voor uw onderneming. Bent u niet alleen ondernemer maar bijvoorbeeld ook werknemer, dan zit er een addertje onder het gras. U moet namelijk meer dan de helft van uw totale werktijd aan uw bedrijf besteden. Vergeet dus niet uw uren te administreren. Zo kunt u bij vragen of controle van de Belastingdienst in ieder geval aantonen dat u aan het urencriterium voldoet.

Maak gebruik van de mkb-winstvrijstelling
Niet genoeg uren? Maak dan wel gebruik van de mkb-winstvrijstelling. Deze vrijstelling kunt u als ondernemer zonder meer toepassen en vermindert uw belastbare winst uit onderneming na ondernemersaftrek (zoals de zelfstandigenaftrek) met 14%. U bent zo minder belasting verschuldigd.

Let op! Lijdt u verlies? Dan verkleint de mkb-winstvrijstelling dit verlies. De vrijstelling is in dat geval nadelig.

Denk aan uw pensioen
U kunt als ondernemer geld opzijzetten binnen uw onderneming voor uw oude dag. Dit geld reserveert u in de oudedagsreserve. Voldoet u aan het urencriterium en had u aan het begin van dit jaar de AOW-leeftijd nog niet bereikt, dan mag u bij voldoende eigen vermogen een deel van de winst toevoegen aan uw oudedagsreserve. Over dit deel betaalt u dan nog geen inkomstenbelasting. Dit jaar bedraagt de toevoeging 9,8% van de winst. Het maximumbedrag bedraagt € 8.631.

Let op! De oudedagsreserve zorgt voor uitstel van belastingheffing, maar niet voor afstel. Op de opgebouwde reserve rust nog een belastingclaim. Op enig moment, vaak als u stopt met uw onderneming, zult u moeten afrekenen. Overleg daarom met onze adviseurs of toevoegen aan de oudedagsreserve in uw geval aantrekkelijk is.

Pensioen buiten uw onderneming
U kunt ook uw pensioen buiten uw onderneming regelen. Als ondernemer bepaalt u zelf of u naast de AOW nog een aanvullende oudedagsvoorziening wilt. Dat kan ook buiten de onderneming om, bijvoorbeeld met een lijfrente via een verzekeraar.

Let op! Pensioenopbouw wordt beter beschermd. Zo hoeft u niet in te teren op reeds opgebouwd pensioen als u een beroep moet doen op de bijstand. Ook krijgen beginnende zzp’ers per 1 januari 2016 langer de tijd om te beslissen of zij willen blijven deelnemen aan het pensioenfonds van hun voormalige werkgever.

Einde VAR in zicht
Het einde van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) komt steeds dichterbij. De Eerste Kamer moet nog instemmen, maar waarschijnlijk krijgt u vanaf 1 april 2016 te maken met het systeem van modelovereenkomsten. Als uw werk of de omstandigheden en voorwaarden waaronder u werkt niet veranderen, hoeft u voor 2016 geen nieuwe VAR aan te vragen. De VAR voor 2014 of 2015 blijft dan geldig totdat het werken met modelovereenkomsten wordt ingevoerd.

Tip: Bent u een nieuwe ondernemer of veranderen de werkzaamheden of omstandigheden, dan kunt u voor het restant van 2015 en voor 2016 gewoon een nieuwe VAR aanvragen. Deze VAR blijft geldig tot het moment dat de modelovereenkomsten definitief worden ingevoerd. De verwachting is dat dit vanaf 1 april 2016 het geval is.

Uw onderneming in een nieuw jasje?
Ga na of de bv-vorm wel of niet aantrekkelijk voor u is. De oprichting van een bv is eenvoudiger geworden. Ook is meer maatwerk mogelijk. Bij oprichting van de bv hoeft u niet langer een minimumkapitaal te storten van € 18.000. Wel kunt u als bestuurder of aandeelhouder eerder aansprakelijk gesteld worden voor schulden van de bv.

Tips voor de bv en de dga

Nieuwe gebruikelijk loonregels toegepast?
Ga na of u de nieuwe aangescherpte regels voor het gebruikelijk loon heeft toegepast. Uw loon bedraagt het hoogste van de volgende bedragen:

• 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
• het hoogste loon van de overige werknemers van de bv of daarmee verbonden vennootschappen (lichamen);
• € 44.000.

Onder voorwaarden is het mogelijk om uw loon lager vast te stellen. Onze adviseurs kunnen u hierover meer vertellen.

Emigreren kan duurder worden
Denkt u er als aanmerkelijk belanghouder over na om te emigreren? Houd er dan rekening mee dat dit sinds 15 september 2015 fiscaal duurder kan zijn. De Belastingdienst legde bij emigratie haar claim altijd al vast in een conserverende aanslag. Vanaf 15 september 2015 zijn de voorwaarden echter strenger geworden. Zo leiden winstuitdelingen na emigratie in alle gevallen tot belastingheffing en vervalt de conserverende aanslag niet meer na tien jaar.

Tip: Bent u voor 15 september 2015 geëmigreerd, dan gelden de nieuwe regels niet voor u. Bent u van plan om te emigreren, neem dan contact op met uw adviseur. Onder omstandigheden zien wij ingeval van emigratie nog steeds mogelijkheden om de belastingpositie van u als aanmerkelijk belanghouder te optimaliseren.

Geld geleend van uw bv voor uw eigen woning?
U heeft een informatieplicht Heeft u geld geleend van uw bv voor uw eigen woning? Dan moet u verplicht bepaalde gegevens doorgeven aan de Belastingdienst. Deze informatieplicht geldt alleen voor eigenwoningleningen waarvoor vanaf 1 januari 2013 de aflossingsverplichtingen gelden. Vergeet niet te voldoen aan deze informatieplicht, anders verliest u uw recht op renteaftrek in box 1. De verplichting houdt in dat u van een afgesloten lening in 2015 de gegevens uiterlijk verstrekt bij uw aangifte inkomstenbelasting 2015, maar uiterlijk op 31 december 2016. Is de lening al eerder afgesloten maar zijn er wijzigingen in 2015, dan moet u uiterlijk voor 1 februari 2016 deze gegevens verstrekken.

Tip: Voor het verstrekken heeft de Belastingdienst een modelformulier “opgaaf lening eigen woning”. Vanaf de aangifte inkomstenbelasting 2016 wijzigt de informatieverstrekking en verstrekt u de gegevens in uw aangifte inkomstenbelasting.

Tip: Onlangs is aangekondigd dat de termijn voor informatieplicht met betrekking tot de wijzigingen in de lening wordt opgerekt van 1 februari 2016 naar 31 december 2016. U kunt zich echter pas met zekerheid op deze aankondiging beroepen als deze nader is uitgewerkt in een aangekondigd beleidsbesluit.

Controleer de leningsovereenkomsten met uw bv
De leningsovereenkomsten die u sluit met uw bv moeten zakelijk zijn. Een lening is zakelijk als ook een onafhankelijke derde een dergelijke lening zou aangaan of verstrekken. Dit betekent dat de lening zakelijke voorwaarden moet bevatten. Controleer daarom uw bestaande leningsovereenkomsten. Waar moet u op letten? Of een leningsovereenkomst zakelijk is, zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden en is geheel afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden. Een aantal aandachtspunten dat in ieder geval van belang is: schriftelijke vastlegging van de leningsovereenkomst met daarin een aflossingsschema, een terugbetalingsverplichting, zakelijke afspraken over de gevolgen wanneer u of de bv zich niet aan de afspraken houdt of kan houden en last but not least een zakelijke rente. Bovendien moeten er ook zekerheden zijn gesteld.

Tip: Overleg met onze adviseurs of uw leningsovereenkomsten zakelijk zijn en wat de fiscale gevolgen kunnen zijn.

Onduidelijkheid pensioen eigen beheer duurt voort
Als dga kunt u pensioen in uw eigen bv opbouwen (pensioen in eigen beheer). De laatste jaren is veel gesproken over de problemen met het pensioen in eigen beheer, zoals onder meer de problemen die ontstaan door het verschil in fiscale en commerciële waardering en de schijnbare onmogelijkheid om nog dividend te kunnen uitkeren bij aanwezigheid van een pensioen in eigen beheer. Op dit moment is er nog geen oplossing, maar heeft de staatssecretaris van Financiën wel een aantal ‘oplossingsrichtingen’ aangegeven:

• volledige afschaffing van de mogelijkheid om pensioen in eigen beheer op te bouwen, eventueel in combinatie met een afkoopmogelijkheid voor de huidige pensioenen in eigen beheer;
• pensioen in eigen beheer via een oudedagsbestemmingsreserve;
• pensioen in eigen beheer via oudedagssparen in eigen beheer.

Of een van deze oplossingsrichtingen gekozen gaat worden, is nog onduidelijk. Eind 2015 wordt een concreter voorstel van de staatssecretaris verwacht. De verwachting is dat eventuele veranderingen voor het pensioen in eigen beheer nog op zich laten wachten tot 1 januari 2017.

Laat als dga uw verzekeringsplicht herbeoordelen
Per 1 januari 2016 wijzigen de regels voor de verzekeringsplicht van de dga. Mogelijk zorgen deze gewijzigde regels ervoor dat u vanaf 1 januari 2016 ineens wel verzekerd bent voor de werknemersverzekeringen, terwijl u dat voor die tijd niet was. Of andersom. Met name bij complexe structuren zouden zich wijzigingen kunnen voordoen. Let op! De beoordeling of sprake is van verzekeringsplicht of niet is complex. Daarbij komt dat de uitwerking van de jurisprudentie nog niet in alle gevallen duidelijk is. Onze adviseurs kunnen u hierover nader informeren.

Tip: Laat nu al beoordelen hoe de nieuwe regels voor verzekeringsplicht voor u uitwerken vanaf 1 januari 2016. Op die manier kunt u tijdig anticiperen op mogelijke veranderingen.

Tips voor de werkgevers

Benut uw vrije ruimte optimaal
Vanaf 1 januari 2015 past u verplicht de werkkostenregeling toe. Binnen de werkkostenregeling zijn aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet belast tot 1,2% van de totale fiscale loonsom (de vrije ruimte). Daarboven betaalt u 80% belasting. Heeft u nog voldoende vrije ruimte over, benut deze dan voor het einde van het jaar optimaal voor belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen aan uw werknemers.

Tip: Het is niet mogelijk om de vrije ruimte die in 2015 over is door te schuiven naar 2016. Maar als u vrije ruimte over heeft, kunt u wel uw werknemers dit jaar nog een aantal belastingvrije vergoedingen of verstrekkingen geven.

Houd rekening met het gebruikelijkheidscriterium
Het gebruikelijkheidscriterium legt een beperking op aan de vergoedingen en verstrekkingen die u onder kunt brengen in de vrije ruimte. Dit is een lastig criterium dat inhoudt dat uw vergoedingen en verstrekkingen niet in de vrije ruimte kunnen worden ondergebracht als deze voor meer dan 30% afwijken van hetgeen normaal vergoed of verstrekt wordt. Gelukkig heeft de Belastingdienst een doelmatigheidsmarge gegeven: vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen van maximaal € 2.400 per persoon per jaar beschouwt de Belastingdienst in ieder geval als gebruikelijk. Blijft u binnen deze marge, dan kunt u dus zonder problemen binnen het resterende deel van uw vrije ruimte een onbelaste vergoeding of verstrekking geven.

Tip: Maak gebruik van de doelmatigheidsmarge van € 2.400. U krijgt dan geen discussie met de Belastingdienst over de gebruikelijkheid.

Let op! Het gebruikelijkheidscriterium wordt waarschijnlijk volgend jaar aangescherpt. Dat geldt niet voor de doelmatigheidsmarge.

Vier kerst dit jaar eens anders met uw personeel
Door slim te schuiven met uw vergoedingen en verstrekkingen kunt u optimaal gebruikmaken van uw vrije ruimte. Zo kunt u bijvoorbeeld bij dreigende overschrijding van de vrije ruimte in plaats van een kerstpakket besluiten om een nieuwjaarsgeschenk te geven. Of de kerstborrel buiten de deur vervangen door een nieuwjaarsborrel buiten de deur. En het bedrijfsfeestje is misschien begin 2016 net zo gezellig als eind 2015. Omdat deze verstrekkingen dan in 2016 plaatsvinden, komen ze ook ten laste van de vrije ruimte in 2016.

Let op! Bedenk wel dat schuiven alleen zin heeft als u ook in 2016 niet met dezelfde dreigende overschrijding van de vrije ruimte te maken krijgt. Daarnaast kunt u bepaalde vergoedingen of verstrekkingen wellicht anders inrichten. De kerstborrel buiten de deur is met wat aankleding misschien wel net zo gezellig in uw bedrijfspand. En het scheelt u straks misschien wel 80% belastingheffing. Buiten de deur komt de kerstborrel bij aanwijzing immers ten laste van de vrije ruimte, terwijl de borrel binnenshuis op nihil is gewaardeerd.

Let op! Gaat de borrel binnenshuis gepaard met een maaltijd, dan komt voor de maaltijd wel het forfaitaire bedrag van € 3,20 per werknemer ten laste van de vrije ruimte. Dit is echter altijd beduidend minder dan de werkelijke waarde van een maaltijd buiten de deur die anders ten laste van uw vrije ruimte was gekomen.

Maak gebruik van de concernregeling
Bij overschrijding van de vrije ruimte biedt de concernregeling mogelijk een oplossing voor bv’s, nv’s en stichtingen. Door de concernregeling ontstaat een collectieve vrije ruimte. Dit heeft als voordeel dat een tekort in vrije ruimte bij het ene concernonderdeel gecompenseerd kan worden door een overschot bij een ander concernonderdeel.

Let op! De concernregeling kan alleen worden toegepast bij een belang van minimaal 95%.

Wijs uw vergoedingen en verstrekkingen vooraf aan
De werkkostenregeling brengt ook bepaalde administratieve verplichtingen met zich mee. Niet voldoen aan deze verplichtingen kan leiden tot onverwachte belastinggevolgen. Om gebruik te kunnen maken van uw vrije ruimte, moet u de vergoedingen en verstrekkingen bijvoorbeeld vooraf aanwijzen als eindheffingsbestanddeel in deze vrije ruimte. Doet u dat niet, dan worden deze vergoedingen en verstrekkingen individueel belast bij uw werknemers. De te betalen belasting is dan afhankelijk van de hoogte van het loon van de werknemer en kan oplopen tot 108,30% als u de belasting niet verhaalt op de werknemer.

Let op! Ook gerichte vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen moet u aanwijzen als eindheffingsbestanddeel. Doet u dit niet, dan loopt u de kans om in plaats van 0% belasting tot 108,30% te moeten betalen. De manier van aanwijzen is niet wettelijk voorgeschreven. Aanwijzen kan bijvoorbeeld blijken uit de cao, een personeelsreglement, een arbeidsovereenkomst of anderszins. De Belastingdienst gaat er gedurende het kalenderjaar van uit dat sprake is van een aanwijzing in de vrije ruimte als u een vergoeding of verstrekking niet individueel heeft belast bij uw werknemer.

Let op! Dit geldt niet als de Belastingdienst meent dat u door een vergissing de vergoeding of verstrekking niet individueel heeft belast of als niet voldaan wordt aan het gebruikelijkheidscriterium.

Zorg dat uw administratie WKR-proof is
Aan het eind van het jaar moet uw administratie tonen welke vergoedingen en verstrekkingen zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel in de vrije ruimte. De wijze van verwerking is wettelijk niet voorgeschreven. Dat betekent dat u dit intracomptabel (in uw financiële administratie), maar ook extracomptabel (bijvoorbeeld in een apart Excelbestand) kunt doen. Niet verwerken is echter geen optie. De kans bestaat dat de Belastingdienst in dat geval de vergoedingen en verstrekkingen, ook als sprake is van een gerichte vrijstelling, individueel belast bij uw werknemers.

Beoordeel de mogelijkheden van uw vaste onkostenvergoedingen
Binnen de werkkostenregeling (WKR) kunt u nog steeds vaste onkostenvergoedingen toekennen aan uw werknemers. Als u deze vaste onkostenvergoeding aanwijst als eindheffingsbestanddeel in de vrije ruimte kan dit zelfs onbelast, zolang het totaal aan vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen de vrije ruimte niet overschrijdt. Overschrijdt u deze vrije ruimte wel, dan is het verstandig om de vaste onkostenvergoedingen tegen het licht te houden. Dit helpt u misschien niet met terugwerkende kracht, maar kan u in de toekomst wel 80% belastingheffing besparen.

Let op! U moet de vaste onkostenvergoeding wel aanwijzen als eindheffingsbestanddeel in de vrije ruimte. Verzuimt u dit, dan wordt de vaste onkostenvergoeding individueel belast bij uw werknemer. Door het aanwijzen van de volledige vaste onkostenvergoeding in de vrije ruimte wordt wellicht een groot gedeelte van deze vrije ruimte al gebruikt. En dat is jammer, omdat wellicht een aantal gerichte vrijgestelde vergoedingen of vergoedingen voor intermediaire kosten mogelijk is binnen de vaste onkostenvergoedingen.

Tip: Als (een deel van) uw vaste onkostenvergoeding gericht vrijgesteld is of als intermediaire kosten niet tot het loon behoort, houdt u meer vrije ruimte over om onbelast vergoedingen en verstrekkingen te doen. Beoordeel daarom of binnen uw vaste onkostenvergoeding nog mogelijkheden zijn voor gerichte vrijstellingen en intermediaire kosten. Denk bijvoorbeeld aan:

• een vergoeding voor woon-werkverkeer à € 0,19 per kilometer (gerichte vrijstelling);
• een vergoeding voor het wassen van de auto van de zaak (intermediaire kosten);
• een vergoeding voor het internetgebruik thuis (gerichte vrijstelling: noodzakelijkheidscriterium);
• een vergoeding voor een mobiele telefoon (gerichte vrijstelling: noodzakelijkheidscriterium).

Heeft u mogelijkheden, dan is het goed om te weten dat er nog een aantal nadere voorwaarden geldt. Een van de belangrijkste is dat u vooraf een onderzoek moet doen naar de werkelijk gemaakte kosten (een steekproef). Onze adviseurs kunnen u hierover nader informeren.

Neem oudere werknemers in dienst
Doordat een aantal drempels wordt weggehaald per 1 januari 2016, wordt het voor u aantrekkelijker en gemakkelijker om een AOW-gerechtigde werknemer in dienst te houden of te nemen. Zo gaan per 1 januari 2016 onder meer de volgende regels gelden:

• De opzegtermijn bij het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met de AOW-gerechtigde werknemer is beperkt tot één maand. Voor andere werknemers geldt – afhankelijk van de duur van het dienstverband – een opzegtermijn van één tot vier maanden.
• Bij ziekte geldt een loondoorbetalingsplicht van dertien weken in plaats van maximaal twee jaar. Mogelijk gaat deze loondoorbetalingsplicht bij ziekte van de AOW-gerechtigde werknemer in de toekomst verder terug naar zes weken.
• Er gelden voor u minder re-integratieverplichtingen bij ziekte van de doorwerkende AOW’er.
• Het aantal tijdelijke contracten met een AOW-gerechtigde werknemer wordt verruimd. Bij cao kan worden bepaald dat na maximaal zes contracten of na maximaal 48 maanden een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat.
• U hoeft niet in te gaan op een verzoek van de AOW-gerechtigde werknemer voor uitbreiding (of vermindering) van zijn aantal te werken uren.

Let op! U krijgt ook te maken met nieuwe verplichtingen. Zo heeft de doorwerkende AOW’er recht op minimaal het minimumloon of een hoger loon als dit bij cao is bepaald. Bij reorganisatie bent u verplicht eerst uw AOW-gerechtigde werknemer te ontslaan. Dit gold al in de private sector, maar gaat nu ook gelden in de publieke sector.

Houd rekening met transitiekosten
Per 1 juli 2015 heeft u te maken met de transitievergoeding. Kort gezegd heeft iedere werknemer die twee jaar of langer bij u heeft gewerkt en waarbij u het initiatief heeft genomen tot het beëindigen dan wel niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, recht op deze vergoeding. De hoogte van de transitievergoeding hangt af van het aantal jaren dat de werknemer bij u in dienst is geweest en bedraagt maximaal € 75.000 bruto dan wel een jaarsalaris als uw werknemer meer dan € 75.000 bruto verdiende.

Tip: De transitievergoeding geldt ook voor de tijdelijke werknemer die minstens twee jaar bij u heeft gewerkt en van wie het contract op uw initiatief niet wordt voortgezet. Inventariseer daarom alle tijdelijke contracten, zodat u goed in beeld heeft aan welke werknemers u straks eventueel een transitievergoeding verschuldigd bent. Gezien de transitievergoeding is het aangaan van tijdelijke contracten met een totale duur van minimaal twee jaar wellicht ongewenst.

Let op! Bepaalde kosten mag u van de transitievergoeding aftrekken. Het gaat om zogenoemde transitie- en inzetbaarheidskosten. Uw werknemer moet nog wel voordat transitie- of inzetbaarheidskosten worden gemaakt, schriftelijk instemmen met het in mindering brengen van dergelijke kosten op de transitievergoeding. Zorg ervoor dat u dit nu al regelt door dit bijvoorbeeld vast te leggen in een studieovereenkomst. Schriftelijke instemming is niet nodig als over de aftrekbaarheid van kosten afspraken zijn gemaakt met vakbonden of met de ondernemingsraad en u hieraan gebonden bent.

Loonadministratie op orde?
Door de invoering van de WAS (Wet Aanpak Schijnconstructies) moet u vanaf 1 januari 2016 rekening houden met nieuwe maatregelen. Bent u daar al op voorbereid?

• Op de loonstrook moet u ook kostenvergoedingen specificeren die onderdeel zijn van het loon. Uit de specificatie moet duidelijk zijn waarvoor de kostenvergoeding is bedoeld.
• Het minimumloon moet giraal worden uitbetaald. Het meerdere mag contant worden uitbetaald.
• Verrekeningen met en inhoudingen op het wettelijk minimumloon zijn niet meer toegestaan, tenzij het een voorschot betreft en dit van tevoren is afgestemd met de werknemer.

Controleer de gedifferentieerde premie Wkh
Heeft u personeel in dienst dat is verzekerd voor de werknemersverzekeringen? Dan ontvangt u binnenkort een brief van de Belastingdienst met daarin uw percentage voor de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk). Controleer of deze gegevens juist zijn. Het percentage voor de gedifferentieerde premie Whk heeft u nodig voor uw aangifte loonheffingen.

Veranderingen op komst in personeelslening eigen woning
Verstrekt u aan uw werknemers een personeelslening eigen woning, houd dan rekening met veranderingen. Nu geldt nog een nihilwaardering voor een eventueel rentevoordeel dat ontstaat bij een dergelijke lening, omdat uw werknemer u minder rente betaalt dan dat hij kwijt zou zijn bij een andere kredietverlener. Die nihilwaardering van het rentevoordeel van de personeelslening eigen woning wordt afgeschaft per 1 januari 2016. In plaats daarvan wordt het rentevoordeel dan tot het belastbaar loon van uw werknemer gerekend. Dit voordeel is ‘loon in natura’ waarover u loonheffingen moet berekenen. Uw werknemer kan het belastbare rentevoordeel vervolgens in aftrek brengen binnen de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting.

Let op! U mag het eigenwoningrentevoordeel volgend jaar ook niet aanwijzen als eindheffingsbestanddeel in de werkkostenregeling.

Tips voor de automobilist

Investeer nog dit jaar in een milieuvriendelijke auto
Wilt u in een milieuvriendelijke nieuwe auto van de zaak gaan rijden? Schaf deze auto dan dit jaar nog aan. Auto’s met een CO2-uitstoot tot en met 50 gr/km hebben dan nog 60 maanden 7% bijtelling. Schaft u dezelfde auto aan in 2016, dan bedraagt de bijtelling gedurende 60 maanden 15%. Maar ook de iets minder zuinige auto met een CO2-uitstoot van 51 gr/km tot en met 82 gr/km zijn aantrekkelijker om in 2015 nog nieuw aan te schaffen. Bij aanschaf in 2015 geldt een bijtelling van 14% gedurende 60 maanden, terwijl bij aanschaf in 2016 de bijtelling 21% bedraagt gedurende 60 maanden. Heeft u een auto op het oog met een CO2-uitstoot van 83 gr/km tot en met 106 gr/km, dan zijn de verschillen minder groot: 20% bijtelling bij aanschaf in 2015 tegenover 21% bijtelling in 2016.

Tip: Plan de aanschaf van uw auto van de zaak slim. Aanschaf in december 2015 kan u een flinke bijtelling schelen ten opzichte van aanschaf in januari 2016.

Koop de auto met een CO2-uitstoot van 107 gr/km tot en met 110 gr/km in 2015 of 2017
Een nieuwe auto van de zaak met een CO2-uitstoot van 107 gr/km tot en met 110 gr/km valt bij aanschaf in 2015 gedurende 60 maanden in een bijtelling van 20%. Schaft u dezelfde auto in 2016 aan, dan bedraagt de bijtelling 25% gedurende 60 maanden, maar wacht u tot 2017, dan daalt de bijtelling weer naar 22% gedurende 60 maanden. Kunt u het nog volgen? Eén ding lijkt duidelijk. Aanschaf in 2016 lijkt voor uw bijtelling in ieder geval een onverstandige keus! Tip: Koop uw nieuwe auto van de zaak met een CO2-uitstoot van 107 gr/km tot en met 110 gr/km in 2015 of stel de aankoop uit naar 2017.

Vergeet geen milieu-investeringsaftrek aan te vragen voor uw milieuvriendelijke auto
Schaft u nog in 2015 een milieuvriendelijke auto aan, dan komt u mogelijk in aanmerking voor de milieu-investeringsaftrek (MIA). De MIA geldt voor (semi)-elektrische auto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 50 gr/km. Er gelden verschillende aftrekpercentages en er zijn maxima gesteld aan de in aanmerking te nemen investeringsbedragen.

uitstoot

Let op! Dieselauto’s komen niet in aanmerking voor de MIA. Om in aanmerking te komen voor de MIA, moet u uw investering melden bij RVO.nl binnen drie maanden nadat u de investeringsverplichting bent aangegaan. Bent u te laat, dan komt u niet meer in aanmerking voor de aftrek! Het is nog niet bekend of de MIA ook in 2016 geldt voor de milieuvriendelijke auto, omdat pas eind 2015 de nieuwe milieulijsten voor de MIA 2016 bekend worden gemaakt.

Tip: Wordt uw auto pas in 2016 geleverd maar bent u in 2015 de investeringsverplichting al aangegaan, meld uw investering dan binnen drie maanden na aangaan van de investeringsverplichting bij RVO.nl. Uw auto maakt dan nog gebruik van de MIA 2015. Meldt u zich te laat, dan komt u niet meer in aanmerking voor de MIA, ook niet voor de MIA 2016! Ook voor de oplaadpaal van de elektrische auto geldt in 2015 de MIA. Hierbij zijn geen nadere beperkingen gesteld met betrekking tot de brandstof van de hybride auto (diesel of benzine). Het aftrekpercentage voor de oplaadpaal bedraagt 36%. Daarnaast mag op deze laadpaal voor 75% willekeurig afgeschreven worden (VAMIL). Laadpalen waarvan de investeringskosten minder dan € 2.500 bedragen, komen niet in aanmerking voor de MIA/VAMIL.

Houd rekening met hogere motorrijtuigenbelasting
Rijdt u in een zuinige auto, dan betaalt u nu mogelijk geen motorrijtuigenbelasting. Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 50 gr/km geldt in 2015 een vrijstelling motorrijtuigenbelasting. Dit gaat in 2016 veranderen. Alleen voor personenauto’s zonder CO2-uitstoot geldt dan nog een vrijstelling motorrijtuigenbelasting. Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van 1 tot en met 50 gram geldt in 2016 een halve vrijstelling motorrijtuigenbelasting.

Vooruitzichten voor de bijtelling auto van de zaak
Vanaf 2017 gaat het aantal bijtellingscategorieën omlaag. Het algemene bijtellingspercentage gaat in 2017 omlaag van 25 naar 22%. Voor de nulemissieauto (CO2-uitstoot 0) blijft een bijtelling gelden van 4% vanaf 2017. Vanaf 2019 geldt de 4%-bijtelling alleen voor de eerste € 50.000 van de cataloguswaarde; daarboven geldt een bijtelling van 22%. Schematisch ziet dit er als volgt uit:

Bijtelling

Let op! De bijtellingspercentages gelden alleen voor nieuwe auto’s die in het betreffende kalenderjaar voor het eerst op kenteken zijn gezet. Voor auto’s die in een ander kalenderjaar op kenteken zijn gezet, geldt gedurende 60 maanden het toentertijd geldende bijtellingspercentage.

Tips voor de woningeigenaar

Verkoop uw eigen woning slim rondom de jaarwisseling
Heeft u uw eigen woning verkocht en staat de overdracht gepland rondom de jaarwisseling? Plan de overdracht bij de notaris dan fiscaal slim. Verkoopt u uw eigen woning en behaalt u daarbij een winst? Dan kan het financieel nadelig zijn wanneer de overdracht bij de notaris voor 1 januari plaatsvindt. Als u de winst dan niet direct gebruikt voor de aankoop van een nieuwe eigen woning, valt deze winst namelijk per 1 januari 2016 in de heffing van box 3. U kunt de belastingheffing in box 3 eenvoudig voorkomen door de overdracht te verplaatsen naar bijvoorbeeld 4 januari 2016. Tip: Plan de overdracht van uw eigen woning net na de jaarwisseling. U bespaart daar mogelijk box 3-heffing mee. Draagt u uw eigen woning bij de notaris over voor 1 januari en wendt u de winst nog voor 1 januari aan voor de koop van een nieuwe eigen woning bij de notaris? Dan valt de winst op de verkoop van de eigen woning niet in box 3.

Koop uw eigen woning slim rondom de jaarwisseling
Heeft u een eigen woning gekocht en staat de overdracht gepland rondom de jaarwisseling? Plan de overdracht bij de notaris dan fiscaal slim. Koopt u een eigen woning en betaalt u deze aankoop (gedeeltelijk) met eigen geld? Dan kan het financieel nadelig zijn wanneer de overdracht bij de notaris na 1 januari plaatsvindt. Het eigen geld behoort dan namelijk per 1 januari 2016 nog tot uw vermogen in box 3. U kunt de belastingheffing in box 3 eenvoudig voorkomen door de overdracht te verplaatsen naar bijvoorbeeld 30 december 2015.

Let op! Het schuiven met de datum is niet altijd eenvoudig omdat uw koper (of bij koop uw verkoper) een ander belang kan hebben.

Wacht met schenken voor de eigen woning
Wilt u uw zoon, dochter of iemand anders een bedrag schenken voor de eigen woning, wacht dan nog even. De Tweede en Eerste Kamer moeten nog instemmen, maar de plannen zijn er al. Vanaf 2017 kunt u gebruikmaken van de verhoogde en verruimde vrijstelling voor een eenmalige schenking voor de eigen woning. De vrijstelling wordt dan structureel verhoogd van € 53.016 (bedrag 2016) naar € 100.000. Daarnaast komt de beperking te vervallen dat de schenking moet zijn gedaan van een ouder aan een kind, waardoor er ook buiten de gezinssituatie gebruik kan worden gemaakt van de vrijstelling. Wel blijft de beperking van kracht dat de begunstigde tussen 18 en 40 jaar moet zijn.

Let op! De verhoogde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning is eenmalig. De verkrijger kan hier eenmaal per schenker gebruik van maken. Heeft u als schenker ten aanzien van dezelfde verkrijger in 2013 of 2014 al gebruikgemaakt van de toenmalige vrijstelling van € 100.000, dan is dit vanaf 2017 niet meer mogelijk. Schenkt u aan uw zoon of dochter in 2015 of 2016 eenmalig een bedrag voor de eigen woning (maximaal € 52.752 respectievelijk € 53.016), dan mag u dit bedrag in 2017 of 2018 nog aanvullen tot € 100.000.

Tip: Degene die de schenking ontvangt, moet deze gebruiken voor de eigen woning. Het gaat om de verwerving of verbouwing van een eigen woning, de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning en de aflossing van de eigenwoningschuld of de restschuld na verkoop van de eigen woning.

Breng uw rente op restschuld in aftrek
Verkoopt u uw woning en blijft u met een restschuld zitten? Dan kunt u de rente op de restschuld in aftrek blijven brengen. Deze regeling geldt voor rente die u betaalt op een restschuld die is ontstaan tussen 29 oktober 2012 en 31 december 2017. De maximale periode voor aftrek van rente op restschulden bedraagt vijftien jaar.

Tip: Ontvangt u een schenking voor de eigen woning, dan mag u dit bedrag ook gebruiken om de restschuld mee af te lossen.

Dubbele woonlasten?
Maak gebruik van de verhuisregelingen Staat uw voormalige, leegstaande woning te koop of bent u nog niet verhuisd, maar heeft u al wel een nieuwe woning aangeschaft, dan heeft u gedurende het jaar waarin de woning leeg kwam te staan en de drie jaren daarna renteaftrek voor beide woningen. Staat uw voormalige eigen woning na de verhuur weer leeg, dan heeft u wederom recht op hypotheekrenteaftrek tot het einde van dezelfde driejaarstermijn van de verhuisregeling.

Let op! Eindigt de verhuurperiode van uw woning na deze driejaarstermijn, dan gaat uw woning bij aanvang van de verhuurperiode definitief over naar box 3.

Los een kleine hypotheek af
Heeft u nog maar een lage hypotheekschuld, dan kan het verstandig zijn om de hypotheek af te lossen. U hoeft namelijk geen eigenwoningforfait in aanmerking te nemen als u geen hypotheekrente in aftrek brengt. Vanaf het moment dat uw hypotheekrente net zo hoog of lager is dan uw eigenwoningforfait, lijkt aflossen daarom gunstig.

Let op! Als u uw vermogen in box 3 gebruikt voor aflossing van uw eigenwoningschuld, houd dan wel rekening met de vermindering van uw box 3 vermogen. Dit is uiteraard gunstig voor de te betalen belasting in box 3, maar kan vervelend uitpakken als u op een later moment andere bestedingsdoelen zou hebben voor dit vermogen.

Betaal uw hypotheekrente vooruit
Valt uw inkomen in 2016 in een lager tarief dan in 2015, dan is het mogelijk financieel aantrekkelijk om in 2015 uw hypotheekrente vooruit te betalen. Uw hypotheekrente wordt in 2015 dan nog afgetrokken tegen het hogere tarief. Let op! U mag maximaal de in 2015 vooruitbetaalde hypotheekrente van het eerste halfjaar van 2016 in 2015 in aftrek brengen.

Tweeverdieners krijgen meer hypotheekruimte
Bent u van plan een huis te kopen en heeft u de financiering nog niet in orde? Dan is het misschien verstandig om nog even te wachten. Met ingang van 1 januari 2016 krijgen tweeverdieners namelijk de mogelijkheid om meer geld te lenen voor de aankoop van een huis. Het tweede salaris gaat dan voor 50% (in plaats van nu 33%) meetellen.

Tip: Ook in 2016 blijft het mogelijk tot € 9.000 meer te lenen voor de aankoop van een energiebesparende woning met energielabel A++. Voor een volkomen energieneutraal huis kan zelfs maximaal € 27.000 extra geleend worden.

September 2015 – Prinsjesdag 2015

Belastingen gaan eindelijk omlaag
Het belastingplan 2016 staat nu eens een keer in het teken van belastingverlaging. Deze verlaging komt vooral werknemers en werkgevers ten goede. De tarieven in de tweede en derde belastingschijf gaan omlaag en de arbeidskorting stijgt fors. Werknemers met een gezin profiteren daarnaast nog van een verhoging van de inkomensafhankelijke combinatiekorting en van de kinderopvangtoeslag.Kleine spaarders
Ook ‘kleine spaarders’ worden in het zonnetje gezet. Zo krijgt sparen meer zin met een verhoging van de vrijstelling in box 3 van € 21.330 naar € 25.000. Daarnaast wordt het rendement op het vermogen voor kleine spaarders verlaagd door het forfaitaire rendement meer aan te passen aan de omvang van het gespaarde vermogen. 5 Wetsvoorstellen
Het belastingpakket van Prinsjesdag 2015 bevat vijf wetsvoorstellen: het Belastingplan 2016, Overige fiscale maatregelen 2016, Wet tegemoetkoming loondomein, Wet vrijstelling uitkeringen Artikel 2-Fonds en Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015. In deze nieuwsbrief staan de belangrijkste fiscale maatregelen van Prinsjesdag 2015. Let wel: deze aangekondigde maatregelen moeten nog door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen. Dat betekent dat er nog wijzigingen kunnen worden aangebracht of dat bepaalde voorstellen toch geen doorgang vinden.MEER INFORMATIE OVER
* Alle belastingplichtigen
* Ondernemers
* Dga en bv
* Werkgevers
* Woningeigenaren
* Automobilisten
* Overige maatregelen

Wilt u de nieuwsbrief van Londen & Van Holland ontvangen? Als u onderstaand formulier invult, sturen wij u deze periodiek toe.

Bij de samenstelling van de teksten is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.

Maart 2015

Personeelsfeest toch belast

Personeelsfeest op externe locatie toch belast
De Belastingdienst is op 17 maart teruggekomen op een eerdere uitspraak met betrekking tot vrijstelling van personeelsfeesten onder de werkkostenregeling. Dit betekent dat het hapje, het lopende buffet, de drankjes, de reiskosten en eventuele overnachtingskosten over het algemeen toch niet buiten de heffing zullen blijven.

Eerdere uitspraken Belastingdienst
De Belastingdienst gaf in februari aan dat een personeelsfeest op een externe locatie dat plaatsvindt aansluitend op een studiedag, onder de vrijstelling kon vallen met betrekking tot de reis- en verblijfkosten. Alleen een eventueel optreden van een artiest zou loon vormen. Hier is de Belastingdienst nu op terug gekomen, via de veel gestelde vragen op haar website.

Personeelsfeest aansluitend op studiedag toch belast
Als u een studiedag op een externe locatie organiseert met aansluitend een personeelsfeest dan geldt volgens de Belastingdienst het volgende: de invulling van het programma is doorslaggevend bij de beoordeling van het karakter en of u dit onbelast kunt doen. Studiedagen zijn gericht vrijgesteld. De lunch en de reiskosten maken daarvan deel uit en kunt u daarom ook onbelast verstrekken.

Het personeelsfeest is zonder meer een aparte activiteit en heeft vooral een consumptief karakter. De kosten van dit feest zijn loon voor uw werknemers. U kunt dit loon ook aanwijzen in de vrije ruimte. Het gaat hierbij om de kosten voor het lopende buffet, het optreden van de beroemde artiest en eventuele andere consumpties.

Evenementen met vooral een zakelijk karakter wel vrijgesteld
>Uit de vragen en antwoorden van de Belastingdienst kan worden opgemaakt dat de Belastingdienst van mening is dat personeelsevenementen over het algemeen vooral een consumptief karakter hebben en daarom belast zijn. Een personeelsreis om het bedrijfsjubileum te vieren, een skivakantie om de samenwerking tussen uw werknemers te bevorderen, een teamuitje met partners van de werknemers, een middagje paintballen en een nieuwjaarsbijeenkomst vormen allemaal belast loon dat u naar keuze kunt aanwijzen in de vrije ruimte.

Tip:
Het personeelsevenement is wel vrijgesteld als het zakelijke karakter overheerst. Denk hierbij aan een zakelijk evenement voor uw zakenrelaties waaraan ook uw werknemers deelnemen of een seminar dat wordt afgesloten met een hapje en een drankje. Ook een ontbijtsessie voor uw werknemers op een externe locatie is gericht vrijgesteld als deze vooral een zakelijke karakter heeft.

Tip:
Helaas kan een personeelsfeest na een studiedag op een externe locatie over het algemeen dus toch niet onder een gerichte vrijstelling vallen. Dit is anders als u het personeelsfeest op uw eigen locatie organiseert. In dat geval kan dit personeelsfeest onbelast plaatsvinden. Nuttigen uw personeelsleden echter tijdens het feest ook een maaltij

Hogere transitievergoeding voor 50-plusser

Hogere transitievergoeding voor 50-plusser
Per 1 juli 2015 zal de huidige ontslagvergoeding plaatsmaken voor de transitievergoeding. Voor de werknemer van die op ontslagdatum 50 jaar of ouder is en minstens 10 jaar bij u in dienst is, geldt een overgangsregeling op basis waarvan zij (tot 2020) een hogere transitievergoeding ontvangen.

Let op!
De overgangsregeling is tijdelijk en geldt tot 2020. De overgangsregeling geldt bovendien alleen wanneer u in het laatste halfjaar voorafgaand aan het jaar waarin u de 50-plusser ontslaat, minimaal 25 werknemers in dienst heeft.

Hoe hoog is de transitievergoeding?
De transitievergoeding bedraagt kort gezegd voor een werknemer die na twee jaar wordt ontslagen 1/6 maandsalaris per periode van 6 maanden (1/3 maandsalaris per volledig dienstjaar). Na 10 jaar wordt de vergoeding opgehoogd naar 1/4 maandsalaris per periode van 6 maanden (1/2 maandsalaris per dienstjaar). Vanaf 50 jaar bedraagt de vergoeding 1/2 maandsalaris per periode van 6 maanden (1 maandsalaris per dienstjaar).

Rekenvoorbeeld
Stel u ontslaat op 31 december 2015 een werknemer die op dat moment 15 jaar bij u in dienst is. Het dienstverband is begonnen op 1 januari 2001. Op 1 april 2011 is deze werknemer 50 geworden. Hij was toen 10 jaar en drie maanden bij u in dienst. U berekent de transitievergoeding nu als volgt:

  • periode 2001-2010: 1/6 maandsalaris x 20 halve dienstjaren = 3 + 1/3 maandsalaris
  • januari 2011-juni 2011: 1/4 maandsalaris x 1 half dienstjaar = 1/4 maandsalaris
  • juli 2011- december 2015: 1/2 maandsalaris x 9 halve dienstjaren = 4 + 1/2 maandsalaris

De totale transitievergoeding bedraagt dus 8 maandsalarissen + 1/12 maandsalaris.

Enig voorbehoud
Bovenstaand rekenvoorbeeld komt van Rijksoverheid.nl, de overheidssite waarop onder andere het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitleg geeft over diverse regels. In het voorbeeld wordt er van uitgegaan dat de verhoging naar 1/2 maandsalaris ingaat vanaf de eerste volledige periode van 6 maanden nadat iemand 50 jaar is geworden. Daar bestaat in de praktijk echter wat onduidelijkheid over. Kijkt men namelijk naar de letterlijke wettekst dan zou de periode van 6 maanden moeten gaan tellen vanaf de dag dat iemand 50 jaar wordt. De regel is dus niet helemaal duidelijk. Wellicht dat de rechter hier uiteindelijk het laatste woord over moet geven.

Let op!
Ook voor de 50-plusser kan de transitievergoeding niet meer bedragen dan maximaal € 75.000, of maximaal een jaarsalaris als iemand meer verdient dan € 75.000 per jaar.

Wijziging regels zorgverlof

Wijziging regels kort- en langdurend zorgverlof
Per 1 juli 2015 veranderen de regels voor kortdurend en langdurend zorgverlof. Wat moet u weten?

Kortdurend zorgverlof
Kortdurend zorgverlof is er om enkele dagen noodzakelijke zorg te geven aan inwonende (pleeg- of adoptie)kinderen, de partner of ouders. Deze groep wordt vanaf 1 juli 2015 verruimd (zie hierna). Als werkgever betaalt u minstens 70% van het salaris door, maar niet minder dan het minimumloon. Tijdens het zorgverlof bouwt uw werknemer vakantiedagen op.

Uw werknemer kan meerdere keren per jaar kortdurend zorgverlof opnemen. Er geldt wel een maximum aantal uren. Dit is twee keer het aantal uren dat uw werknemer per week werkt in een periode van 12 maanden. De periode van 12 maanden gaat in op de eerste dag waarop het verlof wordt genoten.

Voorbeeld: Als uw werknemer 36 uur per week werkt, kan uw werknemer per 12 maanden in totaal 72 uur kortdurend zorgverlof opnemen.

Tip:
Pas de regeling voor kortdurend zorgverlof in uw arbeidsvoorwaarden per 1 juli 2015 aan.

Langdurend zorgverlof
Langdurend zorgverlof is er om voor langere tijd voor een ernstig zieke partner, kind of ouder te zorgen. U als werkgever hoeft het salaris tijdens het verlof niet door te betalen, maar uw werknemer bouwt tijdens het verlof wel vakantiedagen op.

Uw werknemer kan per 12 maanden maximaal 6 keer het aantal uren dat uw werknemer per week werkt opnemen. U kunt met uw werknemer afspreken dat het verlof over maximaal 18 weken wordt verdeeld. In overleg kunt u met uw werknemer andere afspraken maken.

Let op!
Langdurend verlof moet uw werknemer schriftelijk aanvragen, minstens twee weken voordat het verlof ingaat.

Uitbreiding kort- en langdurend zorgverlof
Vanaf 1 juli 2015 kunnen werknemers ook kort- en langdurend zorgverlof opnemen voor de noodzakelijke zorg aan:

  • grootouders, kleinkinderen, broers en zussen (tweedegraads bloedverwanten),
  • andere huisgenoten dan de kinderen of partner (bijvoorbeeld een inwonende tante),
  • mensen met wie uw werknemer een sociale relatie heeft (bijvoorbeeld een buurvrouw of vriend) en die van de hulp van uw werknemer afhankelijk zijn.

Geen kort- en langdurend zorgverlof bij ernstige problemen voor werkgever
Als werkgever kunt u het verlof alleen weigeren als het bedrijf hierdoor in ernstige problemen komt. De wet heeft het over een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. Als het zorgverlof is begonnen, mag u dit als werkgever niet meer stoppen. Wel mag u achteraf vragen naar bijvoorbeeld een doktersrekening of een afspraakbevestiging voor een medisch onderzoek.

Let op!
In de cao of regeling met de ondernemingsraad kunnen andere afspraken staan. Als dit zo is, gelden die afspraken.

Wijzigingen in de 30%-regeling per 2015

Wijzigingen in de 30%-regeling voor de buitenlandse werknemer per 2015
Met ingang van 1 januari 2015 is de 30%-regeling voor buitenlandse werknemers op twee punten aangepast. Allereerst is inkomensnorm is geïndexeerd en ten tweede is de doelgroep waarvoor de 30%-regeling geldt, verduidelijkt.

30%-regeling
Met de 30%-regeling mag u kort gezegd onder voorwaarden en zonder nader bewijs maximaal 30% van het loon, inclusief de vergoeding, onbelast vergoeden aan de werknemer die u in het buitenland heeft geworven. Het moet gaan om een werknemer met specifieke deskundigheid die in Nederland schaars is.

Inkomensnorm
Om te beoordelen of een werknemer over specifieke deskundigheid beschikt, geldt een inkomensnorm. Deze norm is per 2015 geïndexeerd. Het belastbaar loon dat buitenlandse werknemers in 2015 minimaal op jaarbasis moeten ontvangen (exclusief de onbelaste vergoeding) bedraagt:

  • Voor werknemers jonger dan 30 jaar met een mastertitel: € 27.901;
  • Voor overige werknemers: € 36.705.

Werknemers die wetenschappelijk onderzoek doen bij bepaalde instellingen en artsen in opleiding tot specialist, hoeven niet aan een inkomensnorm te voldoen.

Verduidelijking doelgroep
Per 2015 is ook het begrip mastertitel verduidelijkt. Onder mastertitel wordt begrepen een Nederlandse mastertitel in het wetenschappelijk onderwijs of een gelijkwaardige buitenlandse titel.

Doe de Waadi-check

Doe de Waadi-check
Voor intermediairs (uitleners) die personeel ter beschikking stellen aan inleners, geldt sinds 1 januari 2012 een registratieplicht bij de Kamer van Koophandel op grond van de Wet Allocatie Arbeidskrachten voor Intermediairs (Waadi).

Registratieplicht
De registratieplicht geldt voor alle werkgevers die arbeidskrachten tegen een vergoeding beschikbaar stellen aan anderen en is dus niet alleen van toepassing op uitzendbureaus, maar ook op gewone ondernemingen. Dit betekent dus dat ook niet-bedrijfsmatige uitleners in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel moeten vermelden dat ze (al dan niet incidenteel) arbeidskrachten ter beschikking stellen.

Huurt u arbeidskrachten in? Doe de Waadi-check!
De Waadi is ook van belang voor ondernemingen die arbeidskrachten inlenen. Inleners mogen namelijk geen gebruik maken van de diensten van uitleners die niet goed geregistreerd staan. Inleners kunnen dit controleren op www.kvk.nl/waadi.

Let op!
Zowel de uitlener als de inlener kunnen een boete kunnen krijgen wanneer de uitlener niet goed geregistreerd staat bij de Kamer van Koophandel. Deze boete bedraagt in beginsel € 12.000 per werknemer en kan thans oplopen tot maximaal € 48.000 .

Ook registratieplicht voor de DGA en zzp’er!
De registratieplicht kan ook gelden voor zelfstandigen/ondernemers en directeur-grootaandeelhouders (DGA’s). Of dit het geval is verschilt per situatie. Volgens Rijksoverheid.nl zijn er drie constructies waarbij de registratieplicht Waadi mogelijk van toepassing is. Dit is het geval als:

  1. u als DGA werkzaamheden voor derden verricht door uzelf uit te lenen via uw BV. In dit geval bent u in loondienst van uw BV, waardoor u als arbeidskracht kwalificeert.
  2. u zelf arbeidskrachten ter beschikking stelt, bijvoorbeeld omdat u als uitzendbureau of payroller werkt.
  3. u andere zelfstandigen inhuurt voor een opdracht van een opdrachtgever. Te denken valt aan de situatie dat u als (hoofduitvoerder) een opdracht heeft aangenomen van een opdrachtgever. Voor het uitvoeren van die opdracht heeft u als hoofduitvoerder één of meerdere andere zelfstandigen aangetrokken die niet door de opdrachtgever, maar door u worden uitbetaald.

Let op!
DGA’s die zich ten onrechte niet hebben geregistreerd, maar die 90% of meer van de aandelen in hun BV houden, krijgen op grond van het huidige beleid geen boete opgelegd. Voor DGA’s met minder dan 90% van de aandelen geldt wel gewoon een boeterisico.

Wilt u meer informatie over de mogelijke gevolgen van de Waadi voor uw onderneming, neemt u dan contact met ons op. Uiteraard zijn wij u ook graag van dienst bij het verzorgen van de eventuele registratie bij de Kamer van Koophandel.

Brengt u de juiste btw in rekening?

Brengt u de juiste btw in rekening aan particulieren?
Verkoopt u vanuit Nederland binnen de EU goederen aan particulieren of organisaties die niet btw-plichtig zijn? En gaat het niet om nieuwe of bijna nieuwe vervoermiddelen? Dan moet u Nederlandse btw in rekening brengen.

Maar let op, want er geldt een drempelbedrag dat per land verschillend is. Levert u in een jaar voor meer dan het drempelbedrag, dan moet u voor de leveringen boven het drempelbedrag de btw van dat land op uw factuur vermelden. Dit geldt voor de rest van dat betreffende jaar, maar ook voor het daaropvolgende jaar. Ook moet u zich dan aanmelden bij de belastingdienst van het betreffende land om daar de btw aan te kunnen geven.

Let op!
Heeft u in een jaar buitenlandse btw in rekening moeten brengen wegens overschrijding van de drempel? Dan moet u het daaropvolgende jaar over alle leveringen (ofwel afstandsverkopen) aan dat land ook buitenlandse btw in rekening brengen. Ook als u in dat jaar onder het drempelbedrag blijft.

Voorbeeld
Tot en met 4 september 2015 levert u voor € 99.500 goederen aan Franse particulieren. U brengt hierover Nederlandse btw in rekening en deze geeft deze btw in Nederland aan. Op 5 september 2015 verkoopt u voor € 700 goederen aan een Franse particulier. U overschrijdt daarmee het Franse drempelbedrag van € 100.000. U brengt over die levering en alle volgende leveringen in 2015 en 2016 Franse btw in rekening. Die btw draagt u af aan de Franse belastingdienst. U moet zich dan ook in Frankrijk laten registreren als ondernemer.

Let op!

  • Houd per land bij of uw afnemers aftrekgerechtigd zijn en een btw-identificatienummer hebben.
  • Houd per land bij of u met uw leveringen onder het drempelbedrag blijft. op de site van de Belastingdienst treft u een overzicht aan van de drempelbedragen per EU-land.
  • Breng vanaf de levering waarmee het drempelbedrag wordt overschreden buitenlandse btw in rekening.
  • Reik facturen uit aan alle afnemers aan wie u buitenlandse btw in rekening brengt, dus ook aan particulieren.

U kunt er per land ook voor kiezen om het drempelbedrag niet toe te passen en altijd buitenlandse btw in rekening te brengen. Hiermee kunt u in landen met een lager btw-tarief alle leveringen doen tegen het buitenlandse btw-tarief. Bovendien hoeft u dan niet ieder jaar het drempelbedrag in de gaten te houden. Dien daarvoor een verzoek in bij uw belastingkantoor. Na twee kalenderjaren kunt u er weer voor kiezen om de drempelbedragen wel weer toe te passen. U moet dit dan schriftelijk melden bij uw belastingkantoor.

Bewaar de administratie goed
Brengt u buitenlandse btw in rekening? Dan moet u kunnen aantonen dat dat juist is. Bewaar daarom alle relevante documentatie over de leveringen. Denk hierbij aan kopiefacturen, vrachtbrieven, pakbonnen, betalingsbewijzen, ‘voor ontvangst’ getekende kopiefacturen en vervoersverklaringen.

Het verkopen van uw onderneming

Het verkopen van uw onderneming: hoe bereik ik een optimaal resultaat?
De Nederlandse economie groeit weer voorzichtig. Het consumentenvertrouwen, alhoewel broos, neemt toe. In de fusie- en overnamemarkt wordt weer een toename verwacht van het aantal ondernemers dat hun onderneming wil verkopen. Vaak betreft het ondernemers die vanwege de economische omstandigheden in de afgelopen jaren gewacht hebben. Nu zijn zij echter op een leeftijd gekomen waarop overdracht van hun onderneming weer op de agenda gezet wordt. Echter, hoe begint u daar mee? Wat is belangrijk?

In de praktijk worden wij meer dan eens geconfronteerd met ondernemingen en ondernemers die graag willen verkopen, maar waarbij zij zelf of hun onderneming niet klaar is voor een verkoop. Soms komt men hier pas achter gedurende het verkoopproces. In dat geval zijn nadelige consequenties voor de uiteindelijke overnamesom niet ondenkbeeldig, of sterker nog, een transactie wordt uitgesteld of zelfs afgeblazen. In de huidige transactiemarkt zijn kopers uiterst voorzichtig. Ten opzichte van een aantal jaar geleden zijn potentiële kopers selectiever en meer risicomijdend.

Hoe kunt u nu als ondernemer het risico voor een potentiële koper minimaliseren en daarmee de slagingskans voor een succesvolle overname verhogen? Een eerste stap daar toe is het analyseren van uw onderneming en uw persoonlijke situatie. Met een mooie term noemen we dit het ‘verkoopklaar’ maken van uw onderneming. Met verkoopklaar maken bedoelen we duidelijk niet het oppoetsen van de cijfers zodat de winst van de onderneming hoger lijkt. Verkoopklaar maken houdt in onze beleving in dat een onderneming op moment van verkoop in een optimale conditie is om overgenomen te worden. Die optimale conditie heeft duidelijk niet alleen een financiële component, maar ook betrekking op: juridisch, fiscaal, organisatorisch, administratief en operationeel.

Daarnaast spelen timing en proces ook een belangrijke rol. Verrassingen en toeval dienen zoveel mogelijk te worden uitgesloten. Kopers hebben een hekel aan verrassingen. Dat schaadt het vertrouwen en vergroot het risicogevoel bij een koper, met een nadelige impact op prijs en proces tot gevolg.

Maar hoe pakt u een dergelijk proces nu aan? Hoe weet u of uw onderneming verkoopklaar is? Het is raadzaam om een dergelijk proces ruim voor een mogelijke verkoop op te starten. Indien er zaken zijn die veranderd moeten worden, kan dit soms wat tijd in beslag nemen. Denk hierbij aan het veranderen van de fiscale structuur of aan het professionaliseren van de administratie. Tien tips die u als ondernemer kunnen helpen in dit proces:

  1. Start tijdig met het identificeren van de belangrijkste waardebepalende factoren (value drivers) voor uw onderneming en stuur op deze variabelen. Hoe realiseert u uw omzet? Waarom komen klanten naar u toe? Heb ik inzicht in mijn kostenstructuur? Met welke producten maak ik de meeste marge? Waarom? Zijn de benodigde (vervangings)investeringen gedaan?
  2. Laat met enige regelmaat een waardering van uw onderneming uitvoeren. Welke inzicht heeft u in de factoren die de waarde van uw onderneming verhogen? Of verlagen? Welke invloed heeft u op deze factoren?
  3. Bepaal hoe afhankelijk is uw onderneming van u? Hoe kan u deze afhankelijkheid verminderen? Zijn er in uw onderneming mensen die u belangrijker wil maken? Of moet u extern management aantrekken?
  4. Zorg dat de administratieve processen accuraat zijn. Komen de maandcijfers tijdig binnen? Wat is de kwaliteit van uw managementinformatie? Kan u sturen op de informatie? Is uw administratie up to date?
  5. Zorg voor een goed gedocumenteerde klantadministratie. Zijn er met alle klanten goede afspraken gemaakt? Waar liggen deze vast?
  6. Zorg voor een juiste juridische en fiscale structuur. Zijn privé en zakelijk goed gescheiden middels verschillende vennootschappen? Kunnen de aandelen vrij worden overgedragen?
  7. Zorg dat u goed beeld heeft van de financierbaarheid van een transactie. Liggen prijsverwachting en financierbaarheid op één lijn? Hoe kijkt een bank tegen een mogelijke transactie aan? Zou u kunnen leven met een verkoop in delen? Of met een earn-out constructie? Welke opbrengst heeft u minimaal nodig om in uw levensonderhoud na de transactie te kunnen voorzien? Is die opbrengst realistisch?
  8. Zorg dat u op de hoogte bent van de ontwikkelingen in uw markt zodat timing optimaal is. Is uw grootste concurrent onlangs overgenomen? Wat betekent dat voor uw onderneming?
  9. Denk vroegtijdig na over uw mogelijkheden tot verkoop. Heeft u zicht op mogelijke kopers voor uw onderneming? Levert u een uniek product of dienst? Welke buitenlandse partijen zouden in uw onderneming geïnteresseerd kunnen zijn?
  10. En ten slotte: zorg dat u tijdig start met de analyse. Een te late start zorgt onherroepelijk voor problemen tijdens een cruciaal proces: het overdragen van uw onderneming. U kunt uw onderneming maar één keer verkopen!

Wanneer u vragen heeft over het verkoopklaar maken van uw onderneming of andere transactie-gerelateerde vragen heeft, kunt u altijd contact opnemen met Werner Leermakers (06 11 745 645). Werner is een transactieadviseur met meer dan 14 jaar ervaring en heeft tientallen transacties begeleid. Hij werkt als partner bij LVH Corporate Finance.

NIEUWSBERICHTEN

1. Definitieve streep door depotstelsel
Op 16 maart 2015 heeft de Belastingdienst bevestigd dat het depotstelsel definitief niet doorgaat. Het systeem van g-rekeningen blijft bestaan en wordt toekomstbestendig gemaakt.

Dit betekent voor het bedrijfsleven dat vrijwaring door storting op de g-rekening niet verandert. Ook de doelgroepen blijven hetzelfde. Tot slot gaat de verplichte g-rekening voor niet-gecertificeerde uitzendondernemingen voorlopig niet door en wordt de mogelijkheid voor zzp’ers om een g-rekening te openen niet verder verkend. Wel wordt het g-rekeningenstelsel toekomstbestendig gemaakt.

2. Subsidie praktijkleren: gratis voorlichtingsbijeenkomsten
Wilt u als werkgever meer weten over de Subsidieregeling praktijkleren? Met deze subsidieregeling kunt u compensatie krijgen voor de kosten die u maakt voor begeleiding van bepaalde studenten/deelnemers/leerlingen binnen uw bedrijf. Om werkgevers te informeren over deze subsidieregeling organiseert de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) gratis voorlichtingsbijeenkomsten op verschillende data en locaties.
U kunt de Subsidieregeling praktijkleren voor het studiejaar 2014-2015 aanvragen vanaf 2 juni 2015 tot en met 15 september 2015 (17.00 uur). U kunt zich aanmelden voor een voorlichtingsbijeenkomst via de site van RVO.nl.

3. Speerpunten aangifte inkomstenbelasting 2014
Bij de aangifte inkomstenbelasting 2014 zal de Belastingdienst extra aandacht besteden aan de volgende service- en controlethema’s:

  • Specifieke zorgkosten zoals dieetkosten, gezinshulp en medicijnen. Voor de aftrek van zorgkosten moet u aan bepaalde voorwaarden voldoen en er geldt een drempelbedrag. Alleen het deel van de kosten dat uitkomt boven een bepaalde drempel, is aftrekbaar.
  • Kosten voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar. Deze aftrekpost is met ingang van 2015 komen te vervallen. In uw aangifte 2014 kunt u – als u voldoet aan de voorwaarden – nog wel een vast bedrag in aftrek brengen.
  • Buitenlandse pensioenen.
  • Buitenlands vermogen.
  • Aftrek van kosten voor een Rijksmonumentenpand.

Ontvangt u straks een te betalen aanslag inkomstenbelasting en/of een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over 2014, dan krijgt u eenmalig automatisch vier maanden extra de tijd om het bedrag op de aanslag te betalen. Dit komt bovenop de standaard betalingstermijn van zes weken. Deze extra ruime betalingstermijn geldt voor aanslagen die worden opgelegd vanaf 1 mei 2015 tot en met 30 juni 2016.

4. Tweede Kamer stemt in met aanpak schijnconstructies
De Tweede Kamer heeft op dinsdag 3 maart 2015 ingestemd met de Wet Aanpak Schijnconstructies. Dat is goed nieuws voor werkgevers die veel last hebben van oneerlijke concurrentie van ‘malafide’ werkgevers die met constructies werknemers uit bijvoorbeeld het buitenland goedkoop in Nederland laten werken. Als ook de Eerste Kamer op tijd akkoord gaat, dan treedt de wet in werking per 1 juli 2015. De belangrijkste maatregelen uit de Wet Aanpak Schijnconstructies zijn:

  • Opdrachtgevers die (behoren te) weten dat een werknemer wordt onderbetaald, kunnen hiervoor aansprakelijk worden gesteld. Bij ernstige onderbetaling kan een werknemer na zes maanden de hoofdopdrachtgever aansprakelijk stellen.
  • Werkgevers mogen niet langer bedragen op het minimumloon inhouden of een deel van het minimumloon als onkostenvergoeding uitbetalen.
  • De Inspectie SZW gaat de namen bekend maken van bijvoorbeeld bedrijven die werknemers onderbetalen.
  • Minimumloon mag niet meer contant worden uitbetaald en loonstroken moeten transparanter.
  • Werkgevers-en werknemersorganisaties en de Inspectie SZW gaan onderling informatie uitwisselen als het vermoeden bestaat dat een werkgever de cao-afspraken niet nakomt.

5. Handige factsheets over de Wet werk en zekerheid
Met de invoering van de Wet werk en zekerheid veranderen de regels voor het verlengen en het beëindigen van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Dit heeft grote impact voor uitzendkrachten, oproepkrachten en payrollmedewerkers. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft onderstaande factsheets beschikbaar gesteld:

Februari 2015

Elektrische auto belastingvriendelijk opladen

De (semi-) elektrische auto is in opkomst en niet in de laatste plaats omdat het bijtellingspercentage voor het privégebruik van een dergelijke auto veel lager is dan voor een andere zakelijke auto. Nu moet zo’n elektrische auto wel regelmatig worden opgeladen. Hoe werkt dat fiscaal?

In de praktijk bestond onduidelijkheid over de fiscale aspecten van een oplaadvoorziening (laadpaal) in of bij de woning van de werknemer voor de (semi-)elektrische auto die de werkgever ter beschikking stelt. Aan die onduidelijkheid maakte staatssecretaris Wiebes van Financiën onlangs een einde.

Het verstrekken en het plaatsen van een laadpaal voor de (semi-) elektrische zakelijke auto in of bij de woning van uw werknemer, mag onbelast plaatsvinden. Dit geldt ook als u de kosten (voor het plaatsen) van de laadpaal aan uw werknemer vergoedt.

Dit geldt echter niet voor de benodigde elektriciteit. Wel keurt de staatssecretaris goed dat u samen met uw werknemer overeenkomt dat uw werknemer de verbruikte elektriciteit voor de auto tegen kostprijs aan u doorlevert. U kunt deze kostprijs dan toch onbelast aan uw werknemer betalen.

Tip:

Tot die kostprijs behoren dan ook de kosten van een meter om het feitelijk gebruik te kunnen vaststellen.

En wat voor de werkgever/werknemer geldt, geldt ook voor de ondernemer met een zakelijke (semi-) elektrische auto. De kosten van (het plaatsen van) de laadpaal zijn aftrekbaar van de winst en de laadpaal leidt niet tot een hoger bijtellingsbedrag.

Let op!

Voor werknemers of ondernemers die met een eigen auto zakelijke kilometers rijden, gelden andere regels. Hier kan slechts € 0,19 per zakelijke kilometer onbelast vergoed worden. De kosten van een laadpaal of de kosten voor benodigde elektriciteit worden geacht te zijn begrepen in de € 0,19 per kilometer en kunnen dus niet daarnaast onbelast vergoed worden.

Doe de gebruikelijklooncheck!

De gebruikelijkloonregeling voor de directeur-grootaandeelhouder (dga) is met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd. Check aan de hand van twee voorbeelden of u in 2015 nog steeds het correcte loon geniet.

Gebruikelijkloonregeling anno 2015
Met ingang van dit jaar moet uw loon volgens de hoofdregel worden vastgesteld op het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking,
  • het hoogste loon van de overige werknemers van de bv of de daarmee verbonden vennootschappen (lichamen),
  • € 44.000.

Afwijkende regel
Wanneer uw bv als inhoudingsplichtige aannemelijk kan maken dat het loon dat volgens de bovenstaande hoofdregel is berekend, hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, dan mag uw loon worden vastgesteld op:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, maar
  • minimaal op € 44.000 of – als het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan € 44.000 – op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.

Twee voorbeelden
De gewijzigde gebruikelijkloonregeling blinkt niet uit in eenvoud. Daarom twee voorbeelden ter verduidelijking.

Voorbeeld 1:
Hoogste loon van een van de overige werknemers van de bv: € 120.000
Loon meest vergelijkbare dienstbetrekking: € 150.000

Hoofdregel: uw gebruikelijk loon dient het hoogste te zijn van € 120.000, € 112.500 (75% van € 150.000) en € 44.000. In casu dus € 120.000. Uw bv kan aannemelijk maken dat € 120.000 hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Dan geldt het volgende: € 120.000 is hoger dan € 112.500 (75% van € 150.000). Uw gebruikelijk loon kan worden vastgesteld op € 112.500.

Voorbeeld 2:
Hoogste loon van een van de overige werknemers van de bv: € 45.000
Loon meest vergelijkbare dienstbetrekking: € 50.000

Hoofdregel: uw gebruikelijk loon dient het hoogste te zijn van € 45.000, € 37.500 (75% van € 50.000) en € 44.000. In casu dus € 45.000. Uw bv kan aannemelijk maken dat € 45.000 hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Dan geldt het volgende: € 45.000 is hoger dan € 37.500 (75% van € 50.000). Uw gebruikelijk loon bedraagt nu € 44.000. Het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking is immers € 50.000 en dat is niet lager dan € 44.000.

Let op!
Is uw gebruikelijk loon hoger dan € 44.000 en heeft u hierover afspraken gemaakt met de Belastingdienst, dan is deze afspraak per 1 januari 2015 komen te vervallen. Zolang de Belastingdienst geen contact met u heeft opgenomen voor een nieuwe gebruikelijkloonafspraak, mag u de afspraak nog blijven toepassen, mits u uw gebruikelijk loon verhoogt tot 75/70e van uw loon uit 2014.

Dubbele betaling ontslagvergoeding uitgesloten?

Vanaf 1 juli 2015 vervangt de transitievergoeding de huidige ontslagvergoeding: iedere werknemer die twee jaar of langer bij u heeft gewerkt (ook tijdelijke werknemers!) heeft recht op deze vergoeding als u de arbeidsovereenkomst wilt beëindigen dan wel niet wilt voortzetten.

Nu kan het zijn dat u op 1 juli 2015 nog gebonden bent aan een cao of bijvoorbeeld aan een individuele afspraak over een ontslagvergoeding of voorziening, zoals outplacement of aanvulling op de ww-uitkering. Het is niet de bedoeling dat u dan dubbel moet betalen. Daarom komt er een overgangsregeling.

Overgangsregeling
Details volgen nog, maar de hoofdlijnen zijn al wel geschetst. De overgangsregeling geldt wanneer afspraken over ontslagvergoedingen en voorzieningen definitief zijn aangegaan vóór 1 juli 2015 en de werknemer bij beëindiging van zijn dienstverband hieraan op of na 1 juli 2015 rechten kan ontlenen.

Lopende afspraken in een cao en/of sociaal plan, waarbij geen rekening is gehouden met de transitievergoeding, gaan voor op de transitievergoeding. Dit geldt totdat deze afspraken worden verlengd of gewijzigd, maar uiterlijk tot 1 juli 2016. Op deze hoofdregel zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Zo is de overgangsregeling ook van toepassing wanneer een cao nawerking heeft of stilzwijgend wordt verlengd. Zolang u gebonden bent aan de ontslagafspraken in de cao bent u geen transitievergoeding verschuldigd!

Individuele afspraken
Heeft u in de lopende individuele arbeidsovereenkomst van uw werknemer een afspraak staan over ontslagvergoeding/voorziening, dan moet de werknemer bij ontslag kiezen tussen de transitievergoeding of de ontslagvergoeding/voorziening. Dit geldt zolang de werknemer zich kan beroepen op deze afspraak. De einddatum van 1 juli 2016 is hier niet van toepassing. U dient de werknemer wel adequaat te informeren over de hoogte van beide bedragen zodat hij een bewuste keuze kan maken.

Laag btw-tarief op woningonderhoud vóór de zomervakantie

Bent u van plan uw huis te verbouwen? Of is uw huis of tuin aan onderhoud toe? Profiteer nu nog van het lage btw-tarief op ‘renovatie en herstel van woningen’. Het verlaagde tarief geldt alleen voor de arbeidskosten. De klus moet zijn geklaard vóór 1 juli 2015, anders betaalt u toch nog 21% btw over alle kosten.

Stel, u laat een uitbouw plaatsen. Tegelijkertijd laat u de tuin opnieuw inrichten. Dat kost € 25.000, exclusief btw. Zonder verlaagd tarief betaalt u € 5250 btw. Rond u dit project af voor 1 juli 2015, dan bespaart u 15% op de arbeidskosten. Stel dat de arbeidskosten € 10.000 exclusief btw zijn. Dan bespaart u daarmee € 1500.

Woningen ouder dan 2 jaar
Niet alle woningen vallen onder de regeling. De woning moet al langer dan 2 jaar bewoond zijn. Ook schuren bij de woning, woonboten en woonwagens vallen onder de regeling. Woningen zonder permanente woonbestemming, zoals de meeste vakantiehuizen, vallen er niet onder.

1 juli 2015 harde deadline
Het 6%-tarief geldt alleen voor verbouwings- en herstelwerkzaamheden die worden afgerond in de periode 1 maart 2013 tot 1 juli 2015. Loopt de klus uit tot na deze periode, dan moet de aannemer u alsnog de eerder bespaarde btw in rekening brengen. Door de klus in deelprojecten te verdelen die elk afzonderlijk worden opgeleverd, kan het verlaagde tarief worden toegepast op de deelprojecten die vóór 1 juli 2015 worden opgeleverd. Zijn de verschillende deelprojecten niet los van elkaar te zien, dan moet de gehele klus vóór 1 juli 2015 worden opgeleverd.

Allerlei soorten werkzaamheden
Het btw-voordeel geldt voor het vernieuwen, vergroten, herstellen of vervangen en onderhouden van (delen van) de woning. Bijvoorbeeld: verbouwingen, uitbouwen, onderhoud aan de cv-ketel, bouwtekeningen van architecten die de verbouwing begeleiden, tuinonderhoud door hoveniers en het laten maken en plaatsen van inbouwkasten en dakkapellen.

Tip:
Bespreek met de aannemer of het onderhoudsbedrijf dat de klus vóór 1 juli 2015 wordt afgerond. Verdeel de klus eventueel onder in deelprojecten, zodat het verlaagde tarief kan worden toegepast op de deelprojecten die vóór 1 juli 2015 worden opgeleverd. Let hierbij op de samenhang tussen de verschillende klussen.

Nieuwsberichten

1. Premiekorting werklozen voor kleine werkgevers
Wist u dat u als werkgever een premiekorting kunt krijgen als u een werkloze jongere, een oudere of een arbeidsgehandicapte in dienst neemt? Die premiekorting kan in voorkomende situaties oplopen tot € 7.000 per jaar per relevante werknemer. Kleine werkgevers kunnen nu echter niet optimaal profiteren van de premiekortingen. Daarom komt het kabinet met een uitvoeringsaanpassing zodat vanaf 2016 iedere werkgever (groot of klein) in gelijke mate van de premiekortingen gebruik kan maken. Meer details volgen in de loop van 2015.

2. Streep door constructie met tijdelijke arbeidscontracten
Werkt u met flexwerkers (tijdelijke werknemers) dan mag u met een werknemer maximaal drie arbeidscontracten voor bepaalde tijd sluiten, mits de gezamenlijke duur van deze drie overeenkomsten niet langer is dan drie jaar. Deze keten van arbeidscontracten start opnieuw na een tussenliggende periode van meer dan drie maanden. Overschrijdt u het aantal tijdelijke arbeidscontracten of de maximale duur dan ontstaat automatisch een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In de praktijk gebeurt het wel eens dat na het maximale aantal arbeidscontracten voor bepaalde tijd er met een werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt gesloten tegelijkertijd met een vaststellingsovereenkomst. In deze vaststellingsovereenkomst is dan opgenomen op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd eindigt. De bedoeling is om zo de ketenregeling te omzeilen met het in feite toch creëren van een vierde contract voor bepaalde tijd. De Hoge Raad heeft echter recent een streep gezet door deze constructie. De ketenregeling kan dus niet worden omzeild.

Let op!
Vanaf 1 juli 2015 wijzigt de ketenregeling. U kunt dan nog steeds met de werknemer drie tijdelijke arbeidscontracten sluiten, maar de gezamenlijke duur wordt teruggebracht van drie naar twee jaar. Bovendien start de keten pas opnieuw na een tussenliggende periode van zes in plaats van drie maanden.

3. Subsidie voor een schone bedrijfswagen
Er komt een speciale regeling om ondernemers te stimuleren om hun vervuilende bestelauto te vervangen door een schoner exemplaar. Dat heeft staatssecretaris Mansveld van Milieu aangekondigd. Het gaat om een subsidie voor ondernemers met vervuilende bestelauto’s in gemeenten rond steden die een milieuzone voor bestelauto’s willen invoeren.

Afhankelijk van hoe schoon de nieuwe of gebruikte bestelauto is, kunnen ondernemers in de randgemeenten aanspraak maken op een subsidiebedrag tussen de € 500 en € 2.200. Wanneer de subsidieregeling wordt opengesteld is nog niet bekend. Een aantal grote steden heeft inmiddels een milieuzone ingevoerd voor vrachtauto’s. Dit is een gebied in de binnenstad waar alleen nog ‘schone’ vrachtwagens worden toegelaten. Binnen afzienbare tijd zullen enkele grote steden ook overgaan tot een milieuzone voor bestelauto’s. De gemeente Utrecht kent met ingang van dit jaar al een dergelijke milieuzone. De gemeente Amsterdam wil volgen vanaf 1 januari 2017.

4. Schenking ontvangen? Vergeet de aangifte niet!
Heeft u in 2014 schenkingen ontvangen, dan moet u wellicht aangifte schenkbelasting doen. Heeft u dat nog niet gedaan, doe dit dan alsnog vóór 1 maart 2015. Een aangifte schenkbelasting is niet nodig als de ontvangen bedragen onder de ‘normale’ vrijstelling voor de schenkbelasting vallen. Heeft u bijvoorbeeld van uw ouders in 2014 meerdere schenkingen ontvangen, maar is dit in totaal niet meer geweest dan € 5.229, dan hoeft u dus geen aangifte te doen. De aangifte moet vóór 1 maart 2015 bij de Belastingdienst binnen zijn. Bent u te laat, of vergeet u de aangifte schenkbelasting te doen, dan kan er een boete worden opgelegd.

5.Afdrachtvermindering onderwijs ook bij deelkwalificaties?
Per 1 januari 2014 is de afdrachtvermindering onderwijs afgeschaft en vervangen door de Subsidieregeling Praktijkleren. De Belastingdienst blijft echter voorlopig controleren of bedrijven de afdrachtvermindering onderwijs wel juist hebben toegepast, met als belangrijk standpunt dat deze afdrachtvermindering niet van toepassing is bij deelkwalificaties. Dit standpunt staat echter op losse schroeven nu hof Arnhem-Leeuwarden onlangs anders heeft beslist. Volgens het hof komen deelkwalificaties wel in aanmerking voor de toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs. Staatssecretaris Wiebes van Financiën laat nu weten tegen deze uitspraak in cassatie te gaan. Het is dus afwachten op het eindoordeel van de Hoge Raad in deze kwestie.

Heeft u in het verleden de afdrachtvermindering onderwijs toegepast op deelkwalificaties of heeft er inmiddels een controle plaatsgevonden van de Belastingdienst, neem dan zo snel mogelijk contact met ons op. Het kan verstandig zijn om tijdig in bezwaar te gaan tegen aangebrachte correcties met een verzoek om het bezwaar aan te houden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad.

6. Jaarlijkse informatieplicht voor de voormalig ANBI
Is de ANBI-status van uw instelling op of na 1 januari 2013 beëindigd? Had uw instelling op dat moment een ANBI-vermogen van meer dan 25.000? Indien beide vragen met ja zijn te beantwoorden, dan bent u verplicht de Belastingdienst jaarlijks te informeren over schenkingen en het vermogensverloop van uw instelling na beëindiging van de ANBI-status. De opgaaf van vermogen en schenkingen in 2013 van uw voormalige ANBI-instelling moet vóór 1 mei 2015 bij de Belastingdienst binnen zijn. Gegevens over het boekjaar 2014 moeten vóór 1 september 2015 zijn ingediend.

Bij de samenstelling van de teksten is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.

Januari 2015

Auto 2015: wacht niet te lang met de aanschaf

Overweegt u de aanschaf van een nieuwe auto van de zaak, hou dan rekening met een aanscherping van de CO2-grenzen. Hoe milieuvriendelijker immers, hoe lager de bijtelling wanneer u de zakelijke auto voor meer dan 500 kilometer per jaar privé gebruikt.

Wordt uw nieuwe auto dit jaar voor het eerst op naam gesteld, dan gelden afhankelijk van de CO2-uitstootgrenzen de onderstaande bijtellingspercentages. Het maakt voortaan niet meer uit of het gaat om een diesel dan wel een benzineauto.

Soort auto Bijtelling CO2-uitstoot alle brandstofsoorten
Nulemissie 4% 0
Vrijwel nulemissie 7% 1 t/m 50
Zeer zuinig 14% 51 t/m 82
Zuinig 20% 83 t/m 110
Overig 25% Vanaf 111

Let op!
Het aanscherpen van de CO2-grenzen heeft niet tot gevolg dat u elk jaar met een nieuw bijtellingspercentage wordt geconfronteerd. Een vastgesteld percentage blijft namelijk gedurende 60 maanden geldig. Pas na deze periode wordt het percentage opnieuw vastgesteld.

Tip:
Wacht niet te lang met de aanschaf van een nieuwe zakelijke auto. Per 2016 worden de CO2-grenzen verder aangescherpt en wijzigt er het nodige in de bijtellingspercentages. Dan verdwijnt ook de 7%-bijtellingscategorie. Grote hervormingen in de autobelastingen zijn te verwachten vanaf 2017.

Aanzegplicht 2015

Heeft u werknemers in dienst met een tijdelijk contract en een looptijd van minimaal 6 maanden, dat eindigt op of na 1 februari? Let dan op! U moet uiterlijk een maand voor het aflopen van het contract aan de werknemer schriftelijk laten weten of u het contract wenst voort te zetten en zo ja, tegen welke voorwaarden. Doet u dit niet of te laat dan bent u een aanzegvergoeding verschuldigd. Maar hoe hoog is deze sanctie? Hoogte aanzegvergoeding
Wanneer u niet voldoet aan de aanzegplicht dan heeft de werknemer recht op een bruto maandsalaris. Bent u te laat met aanzeggen dan bent u een vergoeding naar rato verschuldigd.

Voor de berekening van de aanzegvergoeding dient het bruto uurloon als basis. Is in het tijdelijk arbeidscontract een vaste arbeidsduur afgesproken dan vermenigvuldigt u het bruto uurloon met de arbeidsduur per maand. De uitkomst is het bruto maandsalaris.

Is geen vaste arbeidsduur afgesproken, bijvoorbeeld in geval van een oproepcontract of een min-maxcontract, dan wordt het bruto maandsalaris gevonden door het bruto uurloon te vermenigvuldigden met de gemiddelde arbeidsduur. Deze gemiddelde arbeidsduur per maand berekent u door te kijken hoeveel uren de werknemer in de twaalf maanden voor het einde van het contract heeft gewerkt. Om te komen tot een arbeidsduur per maand deelt u dit door twaalf, of naar verhouding bij een korter durende arbeidsovereenkomst.

Bestaat het loon uit provisie of stukloon dan bedraagt het bruto maandsalaris voor de aanzegvergoeding het gemiddelde van hetgeen is ontvangen aan provisie of stukloon.

Let op!
De aanzegvergoeding kent een vervaltermijn. De werknemer zal binnen drie maanden na de dag waarop de aanzegverplichting is ontstaan een beroep moeten doen op het door u niet nakomen van deze verplichting. U betaalt geen vergoeding in geval van faillissement, surseance van betaling of bij toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

Voorkomen beter dan genezen
Laat u niet verrassen door een aanzegvergoeding. Zorg er daarom voor dat u op tijd aanzegt. Voorkomen is per slot van rekening altijd beter dan genezen!

Vrijwilligers en werkkostenregeling: een prima combinatie

Vanaf dit jaar is de werkkostenregeling voor iedere werkgever verplicht. Wat betekent dit nu als u in uw organisatie veel met vrijwilligers werkt? We kunnen u geruststellen, want de echte vrijwilliger wordt namelijk niet als werknemer beschouwd. De vrijwilligersvergoeding gaat dan ook niet ten koste van de vrije ruimte. Vrijwilligersregeling
Voor vrijwilligers geldt een bijzondere regeling. Een vrijwilliger is iemand die niet bij wijze van beroep werkzaamheden verricht voor:

  • een niet vennootschapsbelastingplichtige of hiervan vrijgestelde organisatie,
  • een sportvereniging of sportstichting,
  • een ANBI.

Let op!
De vrijwilliger mag niet in dienst zijn bij de organisatie, sportvereniging, sportstichting of ANBI.

De vergoeding die de vrijwilliger krijgt voor zijn werkzaamheden is een vrijwilligersvergoeding, oftewel een vergoeding die zo laag is dat dit niet in verhouding staat tot de omvang en de tijd gemoeid met de werkzaamheden. De vrijwilligersvergoeding mag niet meer bedragen dan € 150 per maand met een maximum van € 1.500 per jaar. In dat geval wordt de vrijwilliger niet als werknemer beschouwd.

Werkkostenregeling en vrijwilligersvergoeding
Nu de vrijwilliger geacht wordt niet in dienstbetrekking te zijn en zijn vergoeding geen loon is, telt de vrijwilligersvergoeding dan ook niet mee voor de bepaling van de loonsom waarover de vrije ruimte wordt berekend. Zolang de vergoedingen en verstrekkingen aan een vrijwilliger binnen de grenzen van de vrijwilligersregeling blijven, hoeft u deze in de werkkostenregeling niet aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel.

Let op!
De waarde van een kerstpakket of bijvoorbeeld een bedrijfsuitje telt mee voor de maximumbedragen van de vrijwilligersregeling.

Top 10 veranderingen per 1 januari 2015 voor de werkgever

Traditioneel begint voor ondernemers een nieuw jaar altijd met de nodige veranderingen. Voor u zijn de wijzigingen deze keer omvangrijk. Daarom hebben wij een top 10 samengesteld van belangrijke veranderingen per 1 januari 2015.

  1. De werkkostenregeling is vanaf dit jaar voor iedere werkgever verplicht. U kunt maximaal 1,2% van het totale fiscale loon (de vrije ruimte) besteden aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor uw personeel.
  2. Bij een tijdelijk contract van zes maanden of langer moet u uiterlijk een maand voor het aflopen van het contract schriftelijk aan de werknemer laten weten of u het contract voortzet en zo ja, onder welke voorwaarden.
  3. U mag geen proeftijd meer opnemen in een tijdelijk contract van zes maanden of korter. Wordt een tijdelijk contract verlengd dan mag in het nieuwe contract geen nieuwe proeftijd worden opgenomen.
  4. Een concurrentiebeding in een tijdelijk contract kan alleen nog als u kunt aantonen dat sprake is van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Dit moet u schriftelijk en overtuigend motiveren.
  5. Payrollmedewerkers genieten voortaan dezelfde ontslagbescherming als werknemers die rechtstreeks bij u in dienst zijn.
  6. De regels voor het gebruikelijk loon zijn aangescherpt. Dit kan een verplichte salarisverhoging betekenen voor de directeur-grootaandeelhouder.
  7. De regels rondom diverse verlofregelingen zijn gewijzigd. Zo krijgen ouders (vaders) naast twee dagen kraamverlof voortaan een onvoorwaardelijk recht op drie dagen opname van ouderschapsverlof. Voor bevallingsverlof geldt onder omstandigheden een verlenging en verlof kan voortaan flexibeler worden opgenomen.
  8. Het wettelijk minimumloon is weer omhoog gegaan en bedraagt bijvoorbeeld voor werknemers van 23 jaar en ouder nu € 1.501,80 per maand bij een volledig dienstverband.
  9. De AOW-gerechtigde leeftijd is verhoogd naar 65 jaar plus drie maanden. Dit betekent dat de verzekeringsplicht en de premieplicht voor de werknemersverzekeringen ook doorlopen tot en met de dag voorafgaand aan de AOW. Ook de betaling van de werkgeversheffing Zvw duurt drie maanden langer.
  10. Het maximumdagloon voor de werknemersverzekeringen en het maximumbijdrageloon voor de Zvw per dag bedraagt € 199,90. Het maximumpremieloon werknemersverzekeringen en maximumbijdrageloon Zvw op jaarbasis is € 51.976 (260 loondagen).

Let op!
Ook in de loop van 2015 kunt u nog de nodige wijzigingen verwachten. Dan wordt bijvoorbeeld kort- en langdurend zorgverlof uitgebreid, komt er mogelijk een vervanging van de huidige Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) en gaan er per 1 juli 2015 nieuwe ontslagregels gelden waaronder een voorgeschreven ontslagroute, een transitievergoeding in plaats van de huidige ontslagvergoeding en een bedenktijd voor de werknemer bij ontslag met wederzijds goedvinden.

Kort nieuws

1. Doelmatigheidsgrens voor voorlopige aanslag vennootschapsbelasting
De meeste bedrijven die vennootschapsbelasting moeten betalen, kunnen in januari een voorlopige aanslag van de Belastingdienst tegemoet zien. Daarbij houdt de Belastingdienst voortaan rekening met een doelmatigheidsgrens. Dat betekent dat een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting alleen wordt opgelegd als het te betalen of te ontvangen bedrag € 100 of meer is. De doelmatigheidsgrens geldt voor voorlopige aanslagen die lopende het jaar worden opgelegd. Overigens geldt de doelmatigheidsgrens niet als u zelf verzoekt om een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting.In de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2015 baseert de Belastingdienst zich op gegevens van vorige jaren. Nu kan uw bedrijfssituatie er dit jaar heel anders uitzien. Controleer daarom de voorlopige aanslag goed. Verwacht u een hogere of een lagere belastbare winst dan waar de Belastingdienst in de voorlopige aanslag vanuit gaat, neem dan contact met ons op. Wij kunnen samen met u bekijken of het verstandig is om de voorlopige aanslag te wijzigen.

Let op!
Vanaf 2014 is de belastingrente voor de vennootschapsbelasting verhoogd en geldt nu de wettelijke rente voor handelstransacties met een minimum van 8%. Voor aanslagen vennootschapsbelasting 2014 gaat deze rente lopen vanaf 1 juli 2015. Blijkt uw belastbare winst over 2014 hoger te zijn dan het bedrag waarvoor een voorlopige aanslag is opgelegd, neemt u dan voor 1 april aanstaande contact met ons op om te voorkomen dat u belastingrente moet betalen.

2. Hoe hoog is uw inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet?
Als directeur-grootaandeelhouder bent u meestal niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. U betaalt dan zelf de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Dat gebeurt door inhouding van de bijdrage op uw nettoloon.

Voor u geldt in 2015 een lage bijdrage van 4,85% (2014: 5,4%) over een maximumbijdrageloon van € 51.976 (2014: € 51.414). De inkomensafhankelijke bijdrage kan dus niet meer bedragen dan € 2.520.

Let op!
Uw bv mag u een vrijwillige vergoeding geven voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Dit is echter niet voordelig, want de vrijwillige vergoeding is een brutovergoeding. Dat betekent dat over de vergoeding loonheffing én zorgverzekeringspremie moeten worden betaald. De bv kan ook kiezen om de belastbare vergoeding te laten vallen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Dit gaat dan wel ten koste van andere vrije vergoedingen.

Bent u wel verzekerd voor de werknemersverzekeringen, dan is de bv als werkgever de werkgeversheffing Zvw verschuldigd. U betaalt dan zelf geen bijdrage over uw loon. Voor de werkgeversheffing Zvw geldt in 2015 het hoge percentage van 6,95% (2014: 7,5%) over een maximumbijdrageloon van € 51.976 (2014: € 51.414).

3. Innovatiebox steeds populairder
De innovatiebox wint aan populariteit. Het aantal bedrijven dat hier gebruik van maakt neemt jaarlijks toe met circa 400. Dit blijkt uit een brief van staatssecretaris Wiebes van Financiën aan de Tweede Kamer over het gebruik van de innovatiebox in de jaren 2010 tot en met 2012. Later dit jaar volgt nog een evaluatie.

In 2010 maakten 910 bedrijven gebruik van de innovatiebox in de vennootschapsbelasting. In 2011 is dit aantal opgelopen naar 1419 om naar verwachting in 2012 uit te komen op ruim 1800 gebruikers.

De innovatiebox is een fiscaal instrument in de vennootschapsbelasting om innovatie te stimuleren. Hiermee kunt u aanzienlijk belasting besparen, want op verzoek geldt een effectieve heffing van 5%. Om de innovatiebox toe te kunnen passen, moet u winst behalen met een door u zelf ontwikkeld immaterieel activum waarvoor u een octrooi (of kwekersrecht) of een S&O-verklaring heeft gekregen. De voorwaarden zijn streng en er geldt een boxdrempel. Deze drempel houdt in dat de voordelen pas laag belast zijn, wanneer u de voorbrengingskosten heeft ingelopen.

Kunt u de innovatiebox toepassen dan mag u sinds 2013 ook kiezen voor een wat meer gebruiksvriendelijke forfaitaire regeling. Deze houdt in dat u 25% van uw totale winst mag aanmerken als voordeel voor de innovatiebox, zonder rekening te houden met een boxdrempel. De forfaitaire regeling kent een maximum van € 25.000 per jaar en is maximaal drie jaar toepasbaar. Daarna kunt u nog wel op de normale wijze de innovatiebox gebruiken, waarbij alsnog een boxdrempel geldt. Indien u verwacht meer dan 25% van uw winst te behalen met innovatieve activiteiten of wanneer u verwacht een groter voordeel te behalen dan het maximale bedrag van € 25.000 per jaar, dan is de reguliere innovatiebox waarschijnlijk voordeliger dan de forfaitaire regeling.

4. Minder opbouw oudedagsreserve in 2015
Ondernemers in de inkomstenbelasting kunnen gebruik maken van een speciale fiscale faciliteit om te sparen voor de oude dag: de oudedagsreserve. Dit jaar kunt u iets minder van de door u behaalde winst toevoegen aan deze oudedagsreserve. Het percentage is namelijk omlaag gegaan van 10,9% naar 9,8%. Ook het maximumbedrag is verlaagd.

Voldoet u aan het urencriterium en heeft u aan het begin van het jaar de AOW-leeftijd nog niet bereikt, dan mag u een deel van de winst toevoegen aan de oudedagsreserve. U betaalt over dit deel dan nog geen inkomstenbelasting. Dit jaar bedraagt de toevoeging aan de oudedagsreserve 9,8% van de winst, met een maximum van € 8.631 (2014: € 9.542).

De oudedagsreserve mag in principe niet meer bedragen dan het ondernemingsvermogen en de toevoeging wordt verminderd met eventuele pensioenpremies (bij verplichte deelname aan een beroeps-of bedrijfstakpensioenregeling) die van de winst worden afgetrokken. U kunt overigens deze pensioenpremies alleen in aanmerking nemen bij het bepalen van de winst als de premies binnen de fiscale begrenzingen blijven.

Let op!
De oudedagsreserve zorgt voor uitstel van belastingheffing, maar niet voor afstel. Op enig moment, vaak als u stopt met de onderneming, moet u afrekenen. Toevoegen aan de oudedagsreserve is meestal alleen aantrekkelijk als u nu in de hoogste belastingschijf zit.

5. Mogelijk volgend jaar wijziging eigenbeheerpensioen
Er is nog steeds geen pasklare oplossing voor de problemen met het pensioen in eigen beheer. Inmiddels wordt hard gewerkt aan mogelijke oplossingsrichtingen. Binnen nu en enkele maanden volgt meer duidelijkheid. Het streven is om per 2016 het pensioen in eigen beheer te wijzigen.

Het pensioen in eigen beheer in zijn huidige vorm kent een aantal knelpunten, die grotendeels worden veroorzaakt door het verschil tussen de fiscale en commerciële waardering van de pensioenverplichtingen. Vanwege de vele problemen zijn er enkele oplossingsrichtingen geschetst die op dit moment nader worden uitgewerkt. Een van de oplossingen waar het kabinet aan denkt is het invoeren van een geheel nieuw systeem: een oudedagsbestemmingsreserve. Deze reserve dient dan als vervanging van het pensioen in eigen beheer. De komende maanden moet blijken naar welke oplossingsrichting de voorkeur uitgaat. Zodra die duidelijkheid er is, zal een wetsvoorstel volgen. Het streven is dat per 1 januari 2016 de wijziging van het pensioen in eigen beheer van start gaat. Of dit haalbaar is moet nog blijken, want zorgvuldigheid gaat voor snelheid.

6. Schenken in 2015
Over een schenking moet in de regel schenkbelasting worden betaald. Gelukkig zijn er ook vrijstellingen, bijvoorbeeld voor een schenking aan uw (klein)kinderen.

Dit jaar mag u een maximumbedrag van € 5.277 belastingvrij schenken aan uw kinderen. Is uw zoon/dochter of diens partner tussen de 18 en 40 jaar oud, dan mag u eenmalig belastingvrij een bedrag schenken van € 25.322. Deze eenmalig verhoogde vrijstelling kan nog verder worden verhoogd tot € 52.752 als uw kind het geld gebruikt voor een buitengewoon dure studie of voor de eigen woning. Indien al eerder gebruik is gemaakt van een verhoogde vrijstelling, dan komt dit bedrag in mindering op de vrijstellingen van € 25.322 en € 52.752. Opa en oma mogen hun kleinkinderen dit jaar verrassen met een belastingvrije schenking van maximaal € 2.111.

Bij overlijden kan vermogen bij de erfgenamen belast worden tegen een hoger tarief dan wanneer het vermogen jaarlijks al (gedeeltelijk) wordt geschonken. Indien gewenst kunnen wij een schenkingsplan voor u opstellen, waaruit blijkt welk voordeel u kunt behalen door tijdens leven al vermogen te schenken aan bijvoorbeeld uw kinderen en/of kleinkinderen. Ook voor de situatie dat u uw kinderen nog niet direct de beschikking wilt geven over het geld, is het mogelijk om schenkingen te doen en het tariefvoordeel te benutten. Wilt u weten welke schenkingsopties er zijn en of het voor uw familie voordelig kan zijn om schenkingen te doen, neemt u dan contact met ons op.

Let op!
De tijdelijk verruimde schenkingsvrijstelling van € 100.000 voor de eigen woning is per 1 januari 2015 beëindigd.

Bij de samenstelling van de teksten is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.

Publicatie Eindejaarstips 2014Voor u liggen de eindejaarstips voor 2014. In deze tips hebben wij zo veel mogelijk rekening gehouden met de plannen van het kabinet voor volgend jaar. Een aantal van deze plannen is echter nog niet definitief omdat ze nog door de Tweede en Eerste Kamer moeten worden goedgekeurd.

De tips zijn onderverdeeld in zeven categorieën:

  1. Tips voor alle belastingplichtigen
  2. Tips voor ondernemers en rechtspersonen
  3. Tips voor de ondernemer in de inkomstenbelasting
  4. Tips voor de bv en de dga
  5. Tips voor werkgevers
  6. Tips voor de automobilist
  7. Tips voor de woningeigenaar

Publicatie Oktober 2014

Vereenvoudigingen werkkostenregeling in detail

Vereenvoudigingen werkkostenregeling in detail
De werkkostenregeling is per 1 januari 2015 verplicht. Inmiddels zijn meer details bekend over het noodzakelijkheidscriterium, de concernregeling en de vrijstelling voor branche-eigen producten; maatregelen die de werkkostenregeling moeten verbeteren.

Let op!
Met ingang van 2015 is de werkkostenregeling voor iedere werkgever verplicht!

Het noodzakelijkheidscriterium
Vanaf 2015 gaat een noodzakelijkheidscriterium gelden voor gereedschappen, computers (tablets), mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur. Dit criterium houdt in dat wanneer u als werkgever vindt (in redelijkheid noodzakelijk acht) dat uw werknemer een dergelijke voorziening nodig heeft voor zijn werkzaamheden, u deze vrijgesteld mag vergoeden of verstrekken. Er hoeft dan geen rekening te worden gehouden met een privévoordeel voor de werknemer. Uw oordeel over de noodzakelijkheid – het is zonder meer nodig – is dus bepalend, maar het moet wel redelijk blijven. Bij twijfel zal de belastinginspecteur aannemelijk moeten maken dat u met een dergelijke voorziening uw werknemer toch heeft willen bevoordelen/belonen.

Let op!
Uw werknemer moet verplicht zijn tot teruggaaf of vergoeding van de restwaarde als de voorziening in uw ogen niet langer noodzakelijk is.

In geval van bestuurders en commissarissen geldt een verzwaarde bewijslast. Verstrekt/vergoedt de bv namelijk een onder het noodzakelijkheidscriterium vallende voorziening aan u als directeur-grootaandeelhouder (dga), dan speelt in dit geval een gebruikelijkheidstoets. Een vrijgestelde vergoeding of verstrekking kan dan alleen als de werkgever aannemelijk maakt dat een dergelijke voorziening aan u (een bestuurder of commissaris) gebruikelijk is voor een behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden. Nu is dit niet altijd makkelijk te beoordelen. De verwachting is dan ook dat dit leidt tot meer discussies met de Belastingdienst.

Concernregeling
De concernregeling maakt het vanaf 2015 mogelijk om de vrije ruimtes binnen één concern samen te voegen. De regeling is mogelijk als de moedermaatschappij voor minimaal 95% eigenaar is van de (klein)dochtermaatschappij(en). Denk bijvoorbeeld aan de holding van de dga met daaronder de werkmaatschappij. Bij overschrijding van de gezamenlijke vrije ruimte moet eindheffing worden aangegeven en afgedragen. De concernregeling is niet verplicht. Verder geldt het volgende:

  • De 95%-eis geldt voor het hele jaar. Gedurende het jaar toe- of uittredende concernonderdelen doen dus niet mee.
  • Bij overschrijding van de gezamenlijke vrije ruimte betaalt het concernonderdeel met de grootste loonsom de eindheffing.
  • Wordt de concernregeling toegepast, dan geldt deze voor alle betrokken werkgevers. Zij zijn bovendien hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele door het concern verschuldigde loonbelasting.

Personeelskorting voor branche-eigen producten
De personeelskorting voor producten uit het eigen bedrijf, zoals deze in de oude regeling bestond, blijft bestaan, maar dan in de vorm van een gerichte vrijstelling. De regeling blijft bijna gelijk aan de oude regeling: het voordeel mag niet meer bedragen dan 20% van de waarde in het economisch verkeer van de producten, met een maximum van € 500 per werknemer per jaar. De enige wijziging is dat doorschuiven naar volgende kalenderjaren van een niet-gebruikt deel van de korting niet meer mogelijk is.

Ingrijpende wijzigingen gebruikelijk loon per 2015

Ingrijpende wijzigingen gebruikelijk loon per 2015
Als dga valt u verplicht onder de gebruikelijkloonregeling. U hoort een salaris te krijgen dat gebruikelijk is voor het niveau en de duur van uw arbeid. Het kabinet wil de gebruikelijkloonregeling op een aantal punten fors wijzigen. De regeling zal er dan ook in 2015 anders uitzien dan u inmiddels gewend bent. Alhoewel de wijzigingen nog niet definitief zijn, hebben we ze alvast voor u op een rij gezet, zodat u tijdig weet waar u volgend jaar (mogelijk) aan toe bent.De nieuwe gebruikelijkloonregeling
Uw loon moet – als de plannen doorgaan – in 2015 ten minste worden gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, of
  • het hoogste loon van de andere werknemers die in dienst zijn van de bv of daarmee verbonden vennootschappen (lichamen), of
  • € 44.000.

Verlaging doelmatigheidsmarge
Wat allereerst in het bovenstaande opvalt, is dat u minder speelruimte krijgt waarbinnen u uw loon mag vaststellen. De doelmatigheidsmarge gaat omlaag van 30% naar 25%. Hoort uw loon hoger te zijn dan € 44.000 omdat dit ook geldt voor vergelijkbare dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang niet speelt, dan moet uw salaris in ieder geval worden gesteld op 75% (2014: 70%) van dit hogere gebruikelijk loon. De verlaging van de doelmatigheidsmarge kan een verplichte salarisverhoging voor volgend jaar betekenen.

Let op!
De verwachting is dat met de verlaging van de doelmatigheidsmarge naar 25% het aantal discussies over de hoogte van het loon met de Belastingdienst zal toenemen.

Meest vergelijkbare dienstbetrekking
Het begrip ‘soortgelijke dienstbetrekking’ wordt vervangen door ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’. Op dit moment komt het nog weleens voor dat een ‘soortgelijke dienstbetrekking’ waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, ontbreekt. De Belastingdienst denkt dit op te lossen door de introductie van de ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’.

Let op!
In de praktijk is al aangegeven dat ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’ leidt tot grote verwarring. Twee of meer vergelijkbare dienstbetrekkingen roepen bijvoorbeeld al de vraag op welke van de twee dan het meest vergelijkbaar is.

Verbonden vennootschappen
En dan wordt de groep verbonden vennootschappen nog uitgebreid. Niet alleen een vennootschap waarin uw bv voor ten minste een derde gedeelte belang heeft (dan wel andersom) wordt gezien als een verbonden vennootschap, maar ook vennootschappen waaruit uw bv direct of indirect met toepassing van de deelnemingsvrijstelling voordelen kan genieten. De deelnemingsvrijstelling is al van toepassing bij een belang van 5% of meer. Concreet betekent dit dat de groep werknemers met wie uw salaris vergeleken moet worden, groter wordt.

Let op!
Het begrip ‘verbonden vennootschappen (lichamen)’ geldt ook voor situaties waarbij het gebruikelijk loon niet hoger is dan € 5000.

Streep door bestaande afspraken
Veel dga’s hebben afspraken gemaakt met de Belastingdienst over de hoogte van hun gebruikelijk loon. Al die bestaande afspraken komen te vervallen. In 2015 zal de Belastingdienst met betreffende dga’s contact opnemen om tot nieuwe afspraken te komen. Het staat u vrij om ook zelf contact op te nemen. Er wordt hiervoor een jaar uitgetrokken. Daarom geldt in 2015 de volgende overgangsmaatregel: u dient in 2015 uit te gaan van een gebruikelijk loon van 75/70e van het loon in 2013 indien dit hoger was dan € 43.000.

Tip:
Leidt de 75/70e verhoging volgens u tot een te hoge vaststelling van uw gebruikelijk loon in 2015, neem dan voor een juiste afstemming contact met ons op. Uw loon mag namelijk wel hoger of lager worden gesteld, maar u moet dit dan aannemelijk kunnen maken.

Kosten verlagen transitievergoeding in nieuw ontslagrecht

Kosten verlagen transitievergoeding in nieuw ontslagrecht
In de vorige nieuwsbrief heeft u kunnen lezen over de belangrijkste veranderingen in het ontslagrecht per 1 juli 2015. Zo maakt bijvoorbeeld de huidige ontslagvergoeding dan plaats voor de transitievergoeding. Inmiddels zijn meer details bekend over welke kosten aftrekbaar zijn van de vergoeding en tegen welke voorwaarden.Transitievergoeding in het kort
Een werkgever is vanaf 1 juli 2015 – ongeacht de verplicht te volgen ontslagroute (UWV/cao-commissie of kantonrechter) – een transitievergoeding verschuldigd wanneer hij zijn werknemer na een arbeidsovereenkomst van minimaal twee jaar ontslaat dan wel besluit om diens arbeidsovereenkomst niet voort te zetten. Bij ernstige verwijtbaarheid van de werknemer, in geval van de jongere met een bijbaantje, bij ontslag op of na de AOW-gerechtigde leeftijd en bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, is geen transitievergoeding verschuldigd.De hoogte van de transitievergoeding hangt af van het aantal jaren dat de werknemer bij u in dienst is geweest en bedraagt maximaal € 75.000 bruto dan wel een jaarsalaris als uw werknemer meer dan
€ 75.000 bruto verdiende.

Let op!
De vergoeding dient zowel als financiële compensatie voor het baanverlies als ter ondersteuning bij het zoeken naar nieuw werk. U dient de transitievergoeding uit te keren aan de werknemer. Er is evenwel geen controleplicht of de werknemer de vergoeding ook daadwerkelijk gebruikt waarvoor deze is bestemd.

Aftrekbare kosten
U mag bepaalde kosten van de transitievergoeding aftrekken. Het gaat om transitie- en inzetbaarheidskosten.

Transitiekosten
Transitiekosten zijn kosten gemaakt in verband met het einde van de arbeidsovereenkomst. Het gaat om kosten gericht op het van-werk-naar-werk helpen van de werknemer. Denk bijvoorbeeld aan scholings- of outplacementkosten. Hieronder vallen ook loonkosten indien uw werknemer een langere opzegtermijn bedingt dan de geldende opzegtermijn, op die manier langer salaris ontvangt en ook nog eens gedurende die periode is vrijgesteld van werk. Dergelijke kosten komen in mindering op de transitievergoeding.

Inzetbaarheidskosten
Inzetbaarheidskosten zijn kosten gemaakt tijdens het dienstverband, die zien op een bredere inzetbaarheid van de werknemer in een toekomstige functie, maar dan niet bij u als werkgever zelf. Denk aan een niet-werkplekgerelateerde (talen)cursus, kosten voor een cursus persoonlijke ontwikkeling of een managementcursus, mits uw werknemer geen zicht heeft op een dergelijke functie binnen uw bedrijf. Is dat laatste achteraf gezien wel het geval, dan mag u de kosten van de managementcursus toch niet in mindering brengen op de transitievergoeding.

Tip:
Uw werknemer moet nog wel voordat transitie- of inzetbaarheidskosten worden gemaakt, schriftelijk instemmen met het in mindering brengen van dergelijke kosten op de transitievergoeding. Zorg ervoor dat u dit nu al regelt door dit bijvoorbeeld vast te leggen in een studieovereenkomst. Schriftelijke instemming is niet nodig als over de aftrekbaarheid van kosten afspraken zijn gemaakt met vakbonden of met de ondernemingsraad.

Voorwaarden voor aftrek
Naast het instemmingsvereiste gelden nog de volgende voorwaarden:

  • Transitie- en inzetbaarheidskosten moeten zijn gemaakt door de werkgever, die ook de transitievergoeding is verschuldigd. Dit is met name van belang bij opvolgend werkgeverschap. Bovendien moeten de kosten zijn gemaakt voor de werknemer aan wie de transitievergoeding is verschuldigd.
  • De kosten mogen geen betrekking hebben op het loon, behalve in geval van een langere opzegtermijn (zie bovenstaand). Loonkosten in de periode dat de werknemer een cursus of opleiding volgt, komen dus niet in mindering op de transitievergoeding.
  • De kosten moeten in redelijke verhouding staan tot het doel waarvoor ze zijn gemaakt en mogen niet buitensporig hoog zijn.
    Inzetbaarheidskosten komen alleen in mindering indien gemaakt in maximaal vijf jaar voorafgaand aan het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Het is mogelijk schriftelijk een langere dan wel kortere periode af te spreken.
  • Kosten gemaakt voor de periode waarover de transitievergoeding wordt berekend, tellen niet mee.

Tot slot gelden nog extra voorwaarden in geval van opvolgende arbeidsovereenkomsten, al dan niet bij dezelfde werkgever.

Let op!
De aftrekbaarheid van transitie- en inzetbaarheidskosten en de voorwaarden waaronder, staan nog niet definitief vast. Er kunnen dus nog wijzigingen optreden.

Einde VAR in zicht

Einde VAR in zicht
Het hing al langer in de lucht, maar nu lijkt het er toch van te komen. De Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) zal worden vervangen door de ‘Beschikking geen loonheffingen’. De aanvraag van een Beschikking gaat straks via een webmodule, opdrachtgevers worden medeverantwoordelijk en administratieve lasten gaan omhoog.

Let op!
Het duurt nog even voordat de ‘Beschikking geen loonheffingen’ in werking treedt. De Tweede en Eerste Kamer moeten hier eerst nog mee instemmen.

Van VAR naar Beschikking
De ‘Beschikking geen loonheffingen’ (BGL) vervangt de huidige vier verschillende VAR’s: VAR-loon, VAR-dga, VAR-row (resultaat uit overige werkzaamheden) en VAR-wuo (winst uit onderneming). Met de Beschikking weet u als opdrachtgever dat u geen loonheffing en premies werknemersverzekeringen hoeft af te dragen over de beloning aan een opdrachtnemer. Er zit echter een addertje onder het gras, namelijk in de vorm van medeverantwoordelijkheid.

Medeverantwoordelijkheid
Bij de VAR-wuo en een VAR-dga heeft u nu nog de zekerheid dat u geen loonheffingen hoeft af te dragen en dat u bent gevrijwaard als een dergelijke VAR achteraf onjuist blijkt te zijn. Dat wordt anders als de BGL in werking treedt. U bent dan medeverantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens vermeld op de BGL

U moet controleren of de gegevens op de Beschikking overeenkomen met de werkelijke situatie. Dit betreft echter alleen die gegevens die zien op feiten en omstandigheden waarop u als opdrachtgever doorslaggevende invloed heeft. Denk bijvoorbeeld aan vervanging van de opdrachtnemer, invulling van werktijden en al dan niet doorbetalingsplicht bij ziekte of verlof. Kloppen de stellingen met de werkelijke situatie, dan bent u gevrijwaard en kan de Belastingdienst niet bij u naheffen als achteraf toch een dienstbetrekking wordt geconstateerd.

Let op!
Kloppen een of meer stellingen niet, dan doet u er verstandig aan de opdrachtnemer te verzoeken een nieuwe Beschikking aan te vragen die wel overeenkomt met de werkelijke situatie.

Webmodule
De BGL is straks door de opdrachtnemer aan te vragen via een webmodule. Na het invullen van een vragenlijst ziet de opdrachtnemer direct hoe de Belastingdienst zijn arbeidsrelatie met een (potentiële) opdrachtgever beoordeelt. Het is vervolgens aan de opdrachtnemer of hij de BGL daadwerkelijk aanvraagt.

Let op!
De Beschikking is niet verplicht, maar bij twijfel over de arbeidsverhouding zeer zeker aan te raden, zowel voor opdrachtgever als opdrachtnemer.

De webmodule is nog in ontwikkeling en totdat deze ook daadwerkelijk operationeel is en de Beschikking ook in werking treedt, blijft de VAR voor 2014 voorlopig ook in 2015 nog geldig. De opdrachtnemer hoeft geen nieuwe aanvraag in te dienen, mits hij hetzelfde werk onder dezelfde omstandigheden en voorwaarden blijft doen.

Let op!
De opdrachtnemer heeft met de BGL geen zekerheid over de fiscale kwalificatie van zijn werkzaamheden. De BGL zegt bijvoorbeeld niets over de vraag of de opdrachtnemer in aanmerking komt voor ondernemersfaciliteiten in de inkomstenbelasting.

Administratieve lastenverzwaring
De komst van de BGL betekent voor opdrachtgevers een forse toename van administratieve lasten. U zult goed moeten controleren of de op de BGL vermelde stellingen correct zijn en dat levert u meer werk op. Bepaalde stellingen zijn bovendien voor verschillende interpretaties vatbaar, zoals de stelling of de opdrachtnemer zich mag laten vervangen. Bovendien is de verwachting dat het aantal BGL-aanvragen zal stijgen, omdat iedere werksituatie net even anders kan zijn. Dat is een administratieve lastenverzwaring voor de opdrachtnemer. De praktijk heeft met name om al deze redenen kritisch gereageerd op de komst van de BGL. Of hier ook iets mee wordt gedaan, is nog onduidelijk.

TIPS!

1. Verplichte aanpassing van uw pensioenovereenkomst
Vanaf 2015 wordt de pensioenopbouw verder aangescherpt. Zo gaat het maximale opbouwpercentage voor middelloonregelingen omlaag van 2,15% naar 1,875% en geldt voor pensioen op eindloonbasis een percentage van 1,657% (2014: 1,9%) per dienstjaar. Een soortgelijke aanpassing vindt ook plaats voor beschikbare premieregelingen. Het loon waarover u pensioen kunt opbouwen, wordt beperkt tot € 100.000. Verdient u meer, dan krijgt u de mogelijkheid om fiscaal vriendelijk – maar wel begrensd – bij te sparen met een nettolijfrente of een nettopensioen.

Al deze aanscherpingen hebben gevolgen voor uw pensioenovereenkomst. Deze moet hoogstwaarschijnlijk nog dit jaar worden aangepast om ervoor te zorgen dat u ook in 2015 binnen de fiscale pensioenopbouwregels blijft. Neem hiervoor contact met ons op.

2. Laat u niet verrassen door een kortere deponeringstermijn
De jaarrekening van de bv moet ieder jaar worden gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. De maximale deponeringstermijn is dertien maanden na afloop van het boekjaar. Bent u echter directeur en enig aandeelhouder, dan geldt voor u mogelijk een kortere deponeringstermijn. Dat heeft te maken met de vereenvoudigde vaststelling van de jaarrekening van de bv als alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn van de bv. De ondertekening van de jaarrekening geldt dan direct als vaststellingsmoment. Tenzij deze werkwijze in de statuten is uitgesloten, gaat de wettelijke deponeringstermijn van acht dagen direct in zodra u uw handtekening onder de jaarrekening zet. Laat u hierdoor niet verrassen en zorg ervoor dat de jaarrekening van uw bv uiterlijk op 8 december bij de Kamer van Koophandel is gedeponeerd.

3. Tegemoetkomingen aan de woningeigenaar
Het kabinet heeft een drietal ‘gunstige’ maatregelen aangekondigd voor woningeigenaren die zich in bepaalde situaties begeven. De termijn voor de dubbele hypotheekrenteaftrek bij verhuizing wordt bijvoorbeeld permanent verlengd tot drie jaar (deze zou teruggaan naar twee jaar). Staat uw voormalige, leegstaande woning te koop of bent u nog niet verhuisd maar heeft u al wel een nieuwe woning aangeschaft, dan heeft u gedurende maximaal drie jaar renteaftrek voor beide woningen.

Verhuurt u uw te koop staande woning en komt deze binnen drie jaar weer leeg te staan, dan heeft u daarna (tot het einde van de driejaarstermijn) wederom recht op hypotheekrenteaftrek. Deze tijdelijke regeling ‘herleving van de hypotheekrenteaftrek na verhuur’ wordt eveneens structureel.

Tot slot is er goed nieuws voor woningeigenaren die na verkoop van hun woning een restschuld overhouden. De maximale periode voor aftrek van rente op restschulden wordt verlengd van tien naar vijftien jaar. Het moet gaan om restschulden ontstaan in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 2017.

Een andere gunstige maatregel voor woningeigenaren stopt per 1 januari 2015. Het gaat om de tijdelijk extra ruime schenkingsvrijstelling van € 100.000. Wilt u nog dit jaar van deze schenkingsvrijstelling gebruikmaken, neem dan contact met ons op.

4. Wacht niet te lang met dividend
Heeft uw bv voldoende overtollige liquide middelen om aan u een dividend uit te keren, wacht hier dan niet te lang mee. Een dividenduitkering dit jaar levert u namelijk een belastingbesparing op van maximaal € 7.500. Heeft u een fiscale partner, dan kan dit zelfs oplopen tot maximaal € 15.000. De belastingbesparing is mogelijk doordat het tarief in box 2 tijdelijk verlaagd is van 25% naar 22%, voor zover het inkomen uit aanmerkelijk belang niet hoger is dan € 250.000 (bij fiscaal partnerschap:
€ 500.000). Die tijdelijke verlaging geldt alleen voor 2014. Volgend jaar betaalt u, ongeacht de hoogte, weer het normale 25%-tarief over een dividenduitkering.

Let op!
Keer nooit zomaar dividend uit. Neem eerst contact met ons op. Er is namelijk een aantal zaken waar u rekening mee moet houden. Zo mag de bv pas een dividenduitkering doen nadat er een uitkeringstoets heeft plaatsgevonden. Deze toets is er om te bepalen of uw bv ook na het uitkeren van dividend aan haar verplichtingen kan blijven voldoen.

5. Opnieuw 20% korting bij afkoop levensloop
Had u op 31 december 2011 op een levenslooprekening € 3.000 of meer staan, dan had u in 2013 de mogelijkheid om het volledige tegoed op de rekening in één keer op te nemen. In dat geval was van het tot en met 31 december 2011 opgebouwde tegoed slechts 80% belast. Die korting van 20% komt naar alle waarschijnlijkheid volgend jaar nog eenmalig terug. U krijgt dan de mogelijkheid om met gebruikmaking van de 20%-korting al het tegoed op uw levenslooprekening in één keer op te nemen. U betaalt dan belasting over 80% van de waarde van het tegoed dat op 31 december 2013 op uw levenslooprekening stond. Het overige tegoed (opgebouwd in 2014) is wel volledig belast.

Neemt u het tegoed volgend jaar in één keer op, dan eindigt voor u definitief de levensloopregeling. U mag het ook laten staan en door blijven sparen. Deelname aan de regeling blijft dan mogelijk tot 2022.

6. Afkoop lijfrente bij arbeidsongeschiktheid
Vanaf volgend jaar wordt het mogelijk om een lijfrenteaanspraak eerder op te nemen als u langdurig arbeidsongeschikt bent. U kunt het inkomen dat u mist vanwege uw arbeidsongeschiktheid daarmee aanvullen. Bij een gehele of gedeeltelijke afkoop bent u dan geen revisierente verschuldigd. Over de afkoopsom moet u wel belasting betalen. Afkopen kan alleen als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • u moet langdurig arbeidsongeschikt zijn,
  • u mag nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt,
  • er geldt een maximum aan het op te nemen bedrag aan lijfrente. De afkoopuitkering mag niet meer bedragen dan € 40.000 of, als dat hoger is, het gemiddelde inkomen in de voorafgaande twee jaar.

Bij de samenstelling van de teksten is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.

Prinsjesdag 2014

Een broos herstel

Geen nieuwe bezuinigingen en zelfs een beperkte ruimte voor lastenverlichting. Na jaren van ‘zuur’ is het eindelijk weer tijd voor iets ‘zoets’. De economie toont voorzichtige tekenen van herstel, maar dit is nog broos. Voorzichtigheid is geboden en dat vertaalt zich in het op Prinsjesdag door het kabinet aangeboden Belastingplan voor 2015.

Het kabinet zet in op herstel van de koopkracht, het verder terugdringen van het begrotingstekort en maatregelen om de economie te laten groeien, werkeloosheid te bestrijden, werkgelegenheid te stimuleren en de innovatiekracht te versterken.

De belangrijkste fiscale maatregelen zijn de verplichte invoering van de werkkostenregeling en de verzwaring van de gebruikelijkloonregeling voor directeuren-grootaandeelhouders. Per 1 januari 2015 moet iedere werkgever de werkkostenregeling toepassen. Die wordt vereenvoudigd, met een verlaging van de vrije ruimte als prijs. Dga’s zullen in 2015 hun loon opnieuw moeten toetsen aan de gewijzigde normen.

Moesten particulieren vorig jaar de broekriem nog een fors gaatje krapper doen, dit jaar worden de lasten op arbeid verlaagd met € 1 mrd in de vorm van een hogere arbeidskorting en een minder dan voorziene stijging van het belastingtarief in de eerste schijf. Particulieren moeten wel rekening houden met een iets hogere zorgpremie en een stijging van het eigen risico. De consumptie wordt gestimuleerd door bij afkoop van levenslooptegoed belasting te heffen over 80% hiervan.

De doorstroming op de woningmarkt wordt bevorderd door de periode voor de aftrek van rente op restschulden te verlengen van 10 naar 15 jaar. De termijn voor dubbele hypotheekrenteaftrek in verhuissituaties blijft 3 jaar. Het blijft mogelijk om binnen de driejaarsperiode tijdelijk te verhuren waarna de hypotheekrenteaftrek voor de nog niet verstreken periode herleeft. Tot slot wordt het lage btw-tarief van 6% op arbeidskosten bij renovatie en herstel van bestaande woningen (ouder dan 2 jaar) verlengd tot 1 juli 2015.

Wat weggestopt, maar van steeds groter belang, zijn maatregelen op het gebied van milieubelastingen. Voor bepaalde vormen van lokale opwekking van duurzame energie bevat het Belastingplan maatregelen die duidelijkheid scheppen over de heffing van energiebelasting.

Op Prinsjesdag 2014 heeft het kabinet ook zijn visie gegeven op de herziening van het belastingstelsel. Het kabinet wil daarin geen overhaaste stappen maken om voldoende draagvlak te creëren in de politiek, de samenleving en de Belastingdienst.

In deze nieuwsbrief staan de belangrijkste gevolgen van Prinsjesdag 2014 beschreven. Let wel, deze aangekondigde maatregelen moeten nog door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen. Dat betekent dat er nog wijzigingen kunnen worden aangebracht of dat bepaalde voorstellen toch geen doorgang vinden.

Ondernemers en rechtspersonen

Dga zwaarder belastBox 2-tarief
Het tarief in box 2 over het inkomen uit een aanmerkelijk belang is in 2015 weer 25%. In 2014 is dat tarief tijdelijk verlaagd van 25% naar 22% over een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van maximaal € 250.000 (met fiscaal partner maximaal € 500.000).

Let op!
Voor een dividenduitkering of terugbetaling van kapitaal moet de bv voldoende ruimte hebben. Keer daarom niet zomaar dividend uit, voer een uitkeringstoets uit en bekijk of het tijdelijke tariefsvoordeel van 3% voor dit jaar opweegt tegen de heffing in box 3 over het uitgekeerde vermogen.

Aanpassing gebruikelijkloonregeling
Werkt u bij een bv waarin u een aanmerkelijk belang heeft (ten minste 5%)? Dan moet uw loon gebruikelijk zijn. Deze gebruikelijkloonregeling wordt flink aangepast, lees: verzwaard.

Doelmatigheidsmarge wordt 25%
De speelruimte waarbinnen u uw loon mag vaststellen, wordt verkleind. Deze doelmatigheidsmarge wordt verlaagd van 30 naar 25%. De marge mag alleen worden toegepast boven een loon van
€ 44.000 (gebruikelijk loon 2014).

Meest vergelijkbare dienstbetrekkingen
Vanaf 2015 moet u uw loon vergelijken met het loon in de meest vergelijkbare dienstbetrekkingen. Het criterium ʹsoortgelijke dienstbetrekkingenʹ geeft de Belastingdienst niet de mogelijkheid om te corrigeren als er geen soortgelijke dienstbetrekkingen zijn. Sommige beroepen worden namelijk niet in loondienst uitgevoerd, zoals orthodontisten. Een meest vergelijkbare dienstbetrekking is er altijd.

Groep verbonden lichamen uitgebreid
Uw loon mag niet lager zijn dan het hoogste loon van werknemers werkzaam bij uw bv of werknemers werkzaam bij lichamen verbonden met uw bv. Verbonden lichamen zijn lichamen waarin uw bv ten minste een derde belang heeft en (vanaf 2015) deelnemingen waaruit de bv direct of indirect met toepassing van de deelnemingsvrijstelling voordelen kan genieten.

Gebruikelijk loon 2015: 75/70e van het loon in 2013
In verband met de aanpassing van de gebruikelijkloonregeling zijn bestaande afspraken die u met de Belastingdienst heeft gemaakt over de hoogte van uw loon, vanaf 2015 niet meer geldig. U krijgt de gelegenheid om nieuwe afspraken te maken. Als overgangsmaatregel dient u in 2015 uit te gaan van een gebruikelijk loon van 75/70e van het loon in 2013 als dat loon hoger was dan € 43.000 (gebruikelijk loon 2013). U, maar ook de Belastingdienst, mag hiervan afwijken als aannemelijk is dat het loon in 2015 dan niet gebruikelijk is.

Let op!
Vanaf 2015 moet de dga een loon ontvangen ter hoogte van het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het hoogste loon van de overige werknemers van de vennootschap of verbonden lichamen;
  • € 44.000.

Tegenbewijs is uiteraard mogelijk

Tip:
Voorkom discussies over het gebruikelijk loon, stel als dga een marktconform loon vast en laat de Belastingdienst zich daarmee akkoord verklaren.

Zelfstandigenaftrek en ondernemersfaciliteiten (nog) overeind
Het kabinet onderzoekt al langer mogelijkheden voor beperking van de ondernemersfaciliteiten in de inkomstenbelasting. Vanaf 2015 zou het kabinet de zelfstandigenaftrek willen beperken. Maar nu een grote belastingwijziging uitblijft, is dat voornemen op de lange baan geschoven.

Einde aan fiscaal gunstige regeling gouden handdruk

Vanaf 1 januari 2015 komt er een einde aan de mogelijkheid om een stamrecht in één keer af te kopen tegen een korting van 20% van de stamrechtaanspraak (waarde economisch verkeer). Afkoop van een stamrecht blijft ook vanaf 1 januari 2015 mogelijk, maar dan moet u belasting betalen over de volledige stamrechtaanspraak in plaats van 80% ervan. Bij de afkoop bent u geen revisierente verschuldigd.

U mag uw stamrecht ook vervroegd in delen laten uitkeren tegen de waarde in het economisch verkeer. Een gedeeltelijke uitkering is wel volledig belast. De 20%-korting van dit jaar is hierop niet van toepassing. U bent geen revisierente verschuldigd.

Tip:
Of afkoop in 2014 voor u fiscaal het gunstigst is, hangt af van uw persoonlijke situatie. Laat u goed voorlichten over de belastinggevolgen bij afkoop in 2014, na 2014 of bij ʹgewoonʹ gespreid uitkeren van het stamrecht.

Buitenlandse geldboetes niet meer aftrekbaar
Het onderscheid tussen de aftrekbaarheid van binnenlandse en buitenlandse geldboetes vervalt. Vanaf 1 januari 2015 zijn ook geldboetes opgelegd door een buitenlandse overheid niet aftrekbaar. De aftrekbeperking geldt voor strafrechtelijke boetes, schikkingen, tuchtrechtelijke boetes, bestuursrechtelijke boetes en verkeersboetes. Vrije vergoeding van geldboetes door de werkgever is niet mogelijk.

Btw-vrijstelling ook voor ziekenhuizen met winstoogmerk
De btw-vrijstelling voor intramurale (verpleging en verzorging van personen die zijn opgenomen in een ziekenhuis, verpleeg- of verzorgingsinstelling) wordt vanaf 1 januari 2015 ook van toepassing als de instelling winst beoogt. De instellingen die het aangaat, moeten voor die datum hun administratie en facturatie aanpassen en hun prijsstelling bezien in verband met het vervallen van het recht op btw-vooraftrek.

Banken gaan BSN vastleggen en aan Belastingdienst verstrekken
Vanaf 1 december 2013 is de eenbankrekeningmaatregel in werking getreden. De Belastingdienst betaalt teruggaven inkomstenbelasting en toeslagen vanaf die datum uit op één bankrekening die op naam staat van de rechthebbende zelf. Deze maatregel is gericht op bestrijding van (identiteits)fraude. Om de controle voor de Belastingdienst efficiënter en effectiever te maken, moeten banken meer informatie over bankrekeningen aan de Belastingdienst gaan verstrekken. U moet daarbij denken aan uw NAW-gegevens en uw geboortedatum, eventueel onder vermelding van uw burgerservicenummer. Banken krijgen de wettelijke bevoegdheid om burgerservicenummers in hun interne administratie te gebruiken.

Eenbankrekeningmaatregel niet meer voor teruggaven omzetbelasting
Voor teruggaven omzetbelasting vervalt de eenbankrekeningmaatregel. Wilt u als ondernemer uw btw-teruggaaf door de Belastingdienst laten uitbetalen op een rekeningnummer dat niet op uw naam staat, dan is dat mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan het rekeningnummer van een gelieerde vennootschap.

Vennootschapsbelastingplicht overheidsbedrijven
Vanaf 1 januari 2015 zullen overheidsbedrijven die een onderneming drijven belastingplichtig worden voor de vennootschapsbelasting. Er komen vrijstellingen voor academische ziekenhuizen, onderwijsinstellingen en zeehavenbeheerders. De nieuwe regels zullen van toepassing zijn op boekjaren die starten op of na 1 januari 2016.

Belastingrente ook bij dividendbelasting
Vanaf 1 januari 2015 brengt de Belastingdienst op naheffingen dividendbelasting belastingrente in rekening. Bij teruggaven vergoedt de Belastingdienst belastingrente. Als tarief geldt het tarief van de wettelijke rente voor niet-handelstransacties, met als minimum 4%. De belastingrente wordt ook berekend bij naheffingen en terugbetalingen over een periode vóór 1 januari 2015.

Rentevergoeding bij onterechte heffing
Is er in strijd met het EU-recht belasting geheven en moet de Belastingdienst deze belasting teruggeven, dan heeft u vanaf 2015 recht op een ‘passende’ rentevergoeding. U moet hier wel expliciet om verzoeken. U mag ook een verzoek om rentevergoeding indienen wanneer u een teruggaafbeschikking heeft ontvangen, omdat in strijd met het EU-recht belasting is geheven en deze beschikking dateert van vóór 1 januari 2015. Let er wel op dat u het verzoek om rentevergoeding in dat geval doet binnen zes weken na 1 januari aanstaande.

WBSO alleen voor ondernemingen
De WBSO (afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk) is vanaf 1 januari 2015 alleen nog van toepassing als de inhoudingsplichtige een onderneming drijft. Het contractonderzoek door publieke kennisinstellingen wordt uit de WBSO gehaald. Grenzen, plafond en percentages blijven gelijk aan 2014.

  • de bovengrens van de 1e schijf van de S&O-loonsom: € 250.000
  • het percentage van de 1e schijf: 35%
  • het percentage van de 1e schijf voor starters: 50%
  • het percentage van de 2e schijf:14%
  • het plafond voor de S&O-afdrachtvermindering: € 14 mln.

Tip:
De bedragen voor de S&O-aftrek voor zelfstandigen, inclusief de extra aftrek voor zelfstandige starters, worden eind 2014 bekendgemaakt.

Research en Developmentaftrek mogelijk in 2016 geïntegreerd met WBSO
Bedrijven die S&O-werk doen, kunnen meestal ook gebruikmaken van de RDA (Research en Development Aftrek) die bedoeld is voor andere kosten dan loonkosten. De RDA blijft in 2015 60%. Het kabinet onderzoekt of de WBSO en de RDA in 2016 kunnen worden samengevoegd.

Heffingsplafond belastingheffing op leidingwater blijft van kracht
De verandering in de belasting op leidingwater die op 1 juli 2014 zou ingaan, wordt met terugwerkende kracht aangepast. Er blijft een heffingsplafond van 300 m³ en de degressieve tarievenstructuur wordt niet ingevoerd.

Ondernemers ook energiebelastingkorting voor lokaal opgewekte duurzame energie
Ondernemers kunnen een energiebelastingkorting krijgen voor lokaal opgewekte duurzame energie. De maatregel, die vanaf 1 januari 2014 geldt voor particulieren die via een coöperatie of vereniging van eigenaren op duurzame wijze energie opwekken voor eigen gebruik, staat vanaf 1 januari ook open voor ondernemers. Het aandeel van een ondernemer in de coöperatie of vereniging van eigenaren mag niet meer zijn dan 20%, om te voorkomen dat de energiebelastingkortingsmaatregel misbruikt wordt door energieondernemers.

Ook energiebelastingplicht voor leverancier achter de meter
Iedereen die anders dan via een aansluiting op het openbare distributienet energie levert, bijvoorbeeld achter de meter, wordt voor de energiebelasting belastingplichtig. Hierbij kan met name worden gedacht aan een situatie dat een bedrijf zonnepanelen op het dak van een huis of een school plaatst en de daarmee opgewekte elektriciteit aan de bewoner of de school levert.

Verhoging tarieven voor aardgas en elektriciteit
De tarieven voor aardgas en elektriciteit worden verhoogd. Het tarief voor aardgas wordt in de tweede schijf verhoogd met 2,27 cent naar 6,77 cent per m³ en in de derde schijf met 0,83 cent naar 2,47 cent. Het tarief voor elektriciteit wordt in de tweede schijf verhoogd met 0,34 cent naar 4,69 cent per kWh en in de derde schijf met 0,09 cent naar 1,25 cent. In 2017 worden de tariefsverhogingen weer gedeeltelijk teruggenomen.

Afkoop lijfrente bij langdurige arbeidsongeschiktheid
Vanaf 1 januari 2015 is het mogelijk om een lijfrente geheel of gedeeltelijk af te kopen als u langdurig arbeidsongeschikt bent. De uitkerende instantie houdt loonheffing in op de uitkering. Revisierente blijft achterwege. Er is wel een aantal voorwaarden. Zo moet sprake zijn van langdurige arbeidsongeschiktheid en u mag de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt. De afkoopuitkering mag niet meer bedragen dan € 40.000 of, als het hoger is, het gemiddelde inkomen in de voorafgaande twee jaren.

De werkgever

Werkkostenregeling verplicht vanaf 2015Werkkostenregeling: verplicht vanaf 1 januari 2015
Vanaf 1 januari 2011 heeft u kunnen kiezen om de werkkostenregeling toe te passen, of nog het oude systeem van (vrije) vergoedingen en verstrekkingen voort te zetten. De meeste werkgevers, zeker in het mkb, hebben voor de oude regeling geopteerd. Nu moet iedere werkgever vanaf 1 januari 2015 verplicht de werkkostenregeling toepassen. In de werkkostenregeling worden enkele wijzigingen voorgesteld.Vrije ruimte wordt 1,2%
De vrije ruimte voor aangewezen vergoedingen en verstrekkingen wordt 1,2% van de loonsom. Deze verlaging hangt samen met vereenvoudigingen in de werkkostenregeling die ingaan vanaf 1 januari 2015.Noodzakelijkheidscriterium: vrijstelling voor vergoeding en verstrekking van noodzakelijke gereedschappen, computers, tablets, mobiele telefoons
Als werkgever kunt u gereedschappen, computers (tablets), mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur die u in redelijkheid noodzakelijk acht voor uw bedrijfsvoering (noodzakelijkheidscriterium), vrijgesteld vergoeden of verstrekken. U hoeft dan fiscaal geen rekening te houden met het privévoordeel van de werknemer. Het verschil in fiscale behandeling tussen computers, smartphones en tablets vervalt hierdoor.

Let op!
De werknemer moet verplicht zijn tot teruggaaf of vergoeding van de restwaarde als de voorziening naar het redelijke oordeel van de werkgever niet langer noodzakelijk is. De vrijstelling geldt ook voor bestuurders en commissarissen, als aannemelijk is dat deze voorziening een voor de behoorlijke uitoefening van dienstbetrekking van deze werknemer gebruikelijke voorziening is.

Vereenvoudiging afrekensystematiek
Werkgevers hoeven maar één keer per jaar de overschrijding van de vrije ruimte vast te stellen en de eindheffing van 80% over die overschrijding af te dragen. Ze doen dat in de aangifte over het eerste tijdvak van het volgende jaar. Het blijft mogelijk om, indien u dat wenst, periodiek af te rekenen.

Werkkostenregeling: vrije ruimte per concern beoordelen
Werkgevers in een concern hoeven niet per werkgever de vrije ruimte te berekenen, maar kunnen dat voor het concern als geheel doen. Binnen een concern zijn de (klein)dochtermaatschappijen voor ten minste 95% direct of indirect verbonden met de moedermaatschappij. Bij overschrijding van de gezamenlijke vrije ruimte moet de eindheffing worden aangegeven en afgedragen door het concernonderdeel met de grootste loonsom waarover bij de werknemer loonbelasting is geheven.

Let op!
Bij toepassing van de concernregeling zijn alle betrokken werkgevers hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele door het concern verschuldigde belasting.

Personeelskorting producten eigen bedrijf blijft bestaan
De personeelskorting voor producten uit eigen bedrijf blijft bestaan, maar dan in de vorm van een gerichte vrijstelling. De personeelskorting bedraagt per werknemer en per jaar maximaal 20% van de waarde van deze producten en niet meer dan € 500 per werknemer per jaar. Het is niet langer mogelijk om het niet-gebruikte deel van de personeelskorting door te schuiven naar volgende kalenderjaren.

Gerichte vrijstelling voor werkplekgerelateerde voorzieningen
Het onderscheid tussen het vergoeden van bepaalde werkplekgerelateerde voorzieningen (belast) en het verstrekken ervan (nihilwaardering) wordt opgeheven. Voor vergoedingen en verstrekkingen van bepaalde werkplekgerelateerde voorzieningen komt een gerichte vrijstelling. Voor welke werkplekgerelateerde voorzieningen straks een nieuwe gerichte vrijstelling gaat gelden, is nog niet helemaal duidelijk. Naar alle waarschijnlijkheid zijn dit dezelfde zaken waarvoor straks het noodzakelijkheidscriterium geldt.

Tip:
Het hing al een tijd in de lucht, maar nu is het dan zo ver. U moet vanaf 1 januari 2015 de werkkostenregeling toepassen. Bereid u zo snel mogelijk voor: het kan noodzakelijk zijn dat u uw arbeidsvoorwaarden aanpast. Onderzoek de noodzakelijke aanpassingen in uw arbeidsvoorwaarden en de salaris- en financiële administratie.

Fiscaal voordeel personeelslening komt waarschijnlijk te vervallen
In het Belastingplan 2015 wordt aangekondigd dat later dit jaar, in een ander wetsvoorstel, een aanpassing komt van de nihilwaardering van de rentekorting op personeelsleningen. Waarschijnlijk zal vanaf 1 januari 2015 de rentekorting op personeelsleningen geheel of gedeeltelijk belast worden.

Werkzoekenden sneller naar ander werk
Er komt een Brug-ww die werkzoekenden makkelijker en sneller aan het werk moet helpen in een sector waar een tekort is, bijvoorbeeld in de techniek. Als een werkzoekende aan de slag gaat in een sector waar een tekort is, krijgt diegene voor de uren dat hij of zij werkt salaris en voor de uren waarin wordt omgeschoold, een ww-uitkering. Dat drukt de overgangskosten voor de nieuwe werkgever. De maatregel geldt voor werknemers die met ontslag worden bedreigd of mensen met een ww-uitkering.

De woningeigenaar

Stimulering van doorstroming en onderhoudVrijstelling schenkbelasting
Belastingvrij schenken tot € 100.000 voor de eigen woning of de aflossing van een restschuld na verkoop van de eigen woning is vanaf 1 januari 2015 niet meer mogelijk. De tijdelijk verruiming van de vrijstelling voor de schenkbelasting die geldt in de periode 1 oktober 2013 tot 1 januari 2015, komt dan te vervallen. Vanaf 1 januari 2015 bedraagt de maximale vrijstelling van schenkbelasting in 2015
€ 52.752 en wordt deze weer beperkt tot ouders en kinderen tussen de 18 en 40 jaar.

Tip:
Maak nog dit jaar gebruik van de eenmalig verhoogde vrijstelling. Is al eerder gebruikgemaakt van de eenmalig verhoogde vrijstelling voor een schenking aan een kind tussen de 18 en 40 jaar voor de eigen woning, dan mag deze nog eenmalig aangevuld worden totdat de grens van € 100.000 is bereikt.

Verlaagd btw-tarief bij renovatie en herstel bestaande woningen verlengd tot 1 juli 2015
Het verlaagde btw-tarief van 6% voor renovatie en herstel van woningen wordt met een halfjaar verlengd en geldt tot 1 juli 2015. De maatregel is ingegaan op 1 maart 2013 en liep aanvankelijk tot 1 maart 2014. De maatregel is in 2014 verlengd tot 1 januari 2015 en wordt nu verder verlengd tot 1 juli 2015. U betaalt dus vanaf 1 juli 2015 weer 21% btw op de arbeidskosten bij een verbouwing van uw bestaande woning.

Tip:
Het verlaagde btw-tarief geldt alleen als de renovatie of het herstel van uw woning is afgerond op of na 1 maart 2013 en vóór 1 juli 2015. Heeft u dus verbouwingsplannen en wilt u nog profiteren van het lage btw-tarief op arbeidskosten, zorg er dan voor dat de verbouwing vóór die datum is afgerond.

Dubbele hypotheekrenteaftrek bij verhuizing gedurende 3 jaar
De termijn voor dubbele hypotheekrenteaftrek bij verhuizing wordt permanent verlengd tot 3 jaar. Staat uw voormalige, leegstaande woning nog te koop of bent u nog niet verhuisd en heeft u uw nieuwe woning al wel aangeschaft, dan heeft u gedurende 3 jaar renteaftrek voor beide woningen.

Herleving hypotheekrenteaftrek na tijdelijke verhuur binnen termijn verhuisregeling
Ook wordt de tijdelijke regeling ʹherleving van de hypotheekrenteaftrek na verhuur van een voormalige eigen woningʹ permanent gemaakt. Eindigt de verhuur binnen de driejaarstermijn van de verhuisregeling, dan heeft u nog recht op hypotheekrenteaftrek tot het einde van de driejaarstermijn van de verhuisregeling.

Let op!
Eindigt de verhuurperiode van uw woning na de driejaarstermijn, dan gaat uw woning bij aanvang van de verhuurperiode al over naar box 3. Bij overwaarde in de woning op dat moment, heeft dat gevolgen voor de hypotheekrenteaftrek voor uw nieuwe woning op dat moment.

Tip:
Overweegt u uw te koop staande woning tijdelijk te verhuren, zorg dan dat u toestemming hebt van uw geldverstrekker en vraag bij uw gemeente een vergunning tot tijdelijke verhuur aan. Met zo’n vergunning voorkomt u dat uw huurder na afloop van de huurtermijn aanspraak kan maken op huurbescherming.

Aftrek van restschulden
Er staan ongeveer 1,1 miljoen huizen ʹonder water′. Ter bevordering van de doorstroming op de huizenmarkt en de financierbaarheid van restschulden wordt de maximale periode voor de aftrek van rente op restschulden verlengd van 10 naar 15 jaar. Deze maatregel geldt voor restschulden die zijn ontstaan in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017.

De automobilist

Misbruik wordt bestredenAuto’s met dubbele cabine
Auto’s met een dubbele cabine en een toegestaan maximumgewicht van meer dan 3500 kg worden vanaf 1 januari 2016 voor de BPM en de motorrijtuigenbelasting aangemerkt als een personenauto als het zitgedeelte langer is dan de laadruimte. Het gaat om voertuigen als de Hummer, Ford F250/F350/F450/F650, Dodge Ram 2500/3500, de GMC High Sierra/Yukon en de Chevrolet Crew Cab/Silverado 2500.

Let op!
Bij de aanschaf van dit soort voertuigen is vanaf 1 januari 2016 BPM verschuldigd. Ook is vanaf die datum het MRB-tarief voor personenauto’s van toepassing; dit geldt ook voor bestaande gevallen.

BPM bij import gebruikte auto’s niet meer op basis van taxatierapport
Ter bestrijding van BPM-fraude bij import wordt vanaf 1 januari 2015 de mogelijkheid om voor de waardebepaling van een geïmporteerde auto gebruik te maken van een taxatierapport beperkt tot schadevoertuigen. Een enkele uitzondering is mogelijk. Bij andere geïmporteerde voertuigen kan niet langer gebruik worden gemaakt van een taxatierapport. Bij deze voertuigen kan alleen nog worden gekozen tussen waardering op basis van de forfaitaire tabel of een algemeen toegepaste koerslijst.

Aanscherping diverse autobelastingen per 2016
Naar alle waarschijnlijkheid volgt er binnen nu en enkele weken meer duidelijkheid over de plannen van het kabinet rondom de fiscale toekomst van de auto. Geruchten gaan dat bezitters van vervuilende auto’s in de toekomst meer gaan betalen en dat het huidige systeem van bijtelling voor de auto van de zaak vermoedelijk op de schop gaat. Het is de bedoeling dat aangescherpte maatregelen vanaf 2016 ingaan.

De particulier

De particulier
Stimulering van werken en bestedenTarief inkomstenbelasting 2015: lagere stijging dan voorzien
Het tarief voor de eerste schijf van de inkomstenbelasting wordt in 2015 36,50% in plaats van de voorziene 36,76%. Per 1 januari 2016 zal het inkomstenbelastingtarief in de eerste schijf met 0,06 procentpunt stijgen naar 36,56%. De tarieven van de overige belastingschijven blijven ongewijzigd.Het schema voor volgend jaar ziet er als volgt uit:

Belastbaar inkomen meer dan Maar niet meer dan Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen Totaal tarief Heffing over totaal van de schijven
Jonger dan 65 jaar:
€ 19.822 5,35% 31,15% 36,50% € 7.235
€ 19.822 € 33.589 10,85% 31,15% 42% € 13.017
€ 33.589 € 57.585 42% 42% € 23.095
€ 57.585 52% 52%

Algemene heffingskorting: maximum omhoog, maar meer inkomensafhankelijk
Het maximum van de algemene heffingskorting gaat in 2015 met € 100 omhoog naar € 2203 (tot AOW-leeftijd). Het minimum wordt € 1342. In 2015 wordt de algemene heffingskorting ook meer inkomensafhankelijk. Het afbouwpercentage wordt verhoogd naar 2,32% (2014: 2%) en in 2016 naar 3,32%. Het minimum van de algemene heffingskorting zal dus dalen de komende jaren.

Arbeidskorting: hogere arbeidskorting voor hogere inkomens
Het maximum van de arbeidskorting in 2015 is € 2220. Vanaf een bepaald arbeidsinkomen wordt hierop een inkomensafhankelijke korting toegepast. Deze afbouwgrens wordt in 2015 verhoogd naar circa € 49.900. Het minimumbedrag in 2015 is € 184 bij een arbeidsinkomen van circa € 110.000.

Let op!
De arbeidskorting voor hogere inkomens wordt in drie jaarlijkse stappen afgebouwd tot nihil. In 2017 heeft u zodoende geen recht op arbeidskorting meer bij een inkomen vanaf circa € 120.000.

Werkbonus
De werkbonus vervalt vanaf 1 januari 2015 voor mensen die op dat moment nog 61 jaar moeten worden. Mensen die voor 1 januari 2015 al een werkbonus ontvangen, blijven recht houden op deze heffingskorting tot zij 65 jaar worden.

Ouderenkorting vrijwel ongewijzigd
In 2015 bedraagt de ouderenkorting € 1042 voor inkomens tot € 35.770, daarboven € 152. Vanaf 2016 wordt de ouderenkorting per jaar € 83 lager.

Afschaffing ouderentoeslag (box 3)
Vanaf 2016 wordt de ouderentoeslag in box 3 afgeschaft. In 2015 blijft de ouderentoeslag nog gehandhaafd. De ouderentoeslag is een extra verhoging van het heffingsvrije vermogen (2014:
€ 21.139 per belastingplichtige) in box 3 van maximaal € 27.984. Ouderen met een inkomen van maximaal circa € 19.895 en een rendementsgrondslag in box 3 van maximaal € 279.708 hebben recht op de ouderentoeslag.

Invoering nettopensioen en nettolijfrente
Vanaf 1 januari 2015 is pensioenopbouw slechts mogelijk over een inkomen tot € 100.000. Daarboven kunnen mensen met een hoger inkomen netto ʹbijsparenʹ voor de oude dag in de vorm van een nettolijfrente of een nettopensioen. De premies daarvoor zijn niet aftrekbaar en de uitkeringen zijn onbelast. De opgebouwde aanspraak is vrijgesteld in box 3. Als de nettolijfrente of het nettopensioen wordt afgekocht in strijd met de uitkeringsvoorwaarden, wordt de gemiste box 3-heffing gecorrigeerd door in het afkoopjaar alsnog een bedrag tot de rendementsgrondslag te rekenen.

Afkoop levenslooptegoed: 80%-regeling
In 2015 mogen belastingplichtigen fiscaal voordelig hun levenslooptegoed in een keer opnemen. Van dat tegoed is dan 80% belast.

Bij de afschaffing van de levensloopregeling konden mensen die op 31 december 2011 een levenslooptegoed hadden van € 3000 of meer, tot en met het jaar 2021 blijven deelnemen aan de levensloopregeling. Zij kunnen het tegoed bestedingsvrij en volledig belast opnemen. In 2013 bestond de mogelijkheid om het tegoed ineens op te nemen. Dan was 80% van de waarde van de levensloopaanspraken op 31 december 2011 belast.
Dezelfde regeling wordt nu nog eens ingevoerd in 2015. Dan geldt de 80%-regeling voor het bedrag van de aanspraken op 31 december 2013.

Let op!
Neemt u het tegoed volgend jaar in één keer op, dan eindigt voor u definitief de levensloopregeling.

Versnelde invordering toeslagen
De Belastingdienst/Toeslagen krijgt de bevoegdheid tot versnelde invordering van toeslagen. Het gaat om de inning van een bedrag van een terugvordering van een toeslag, de daarbij verschuldigde rente of het bedrag van een bestuurlijke boete in de toeslagensfeer. Versnelde invordering kan alleen worden toegepast in bijzondere situaties, zoals faillissement, vertrek naar het buitenland of als er andere gegronde redenen zijn om te vrezen dat toeslagschulden niet worden voldaan.

Binnentredingsbevoegdheid toezichthouders toeslagen
Toezichthouders voor toeslagen krijgen binnentredingsbevoegdheid, maar niet voor woningen. De maatregel maakt controle bij kinderopvanginstellingen en gastouderbureaus mogelijk.

Heffingskorting bij immigratie en emigratie vanaf 2016 tijdsevenredig
Woont u in 2015 vanwege immigratie of emigratie een gedeelte van het jaar in Nederland, dan ontvangt u toch het volledige belastingdeel van de heffingskorting. Als de systemen van de Belastingdienst in 2015 zijn aangepast, dan ontvangt u in 2016 het belastingdeel van de heffingskorting tijdsevenredig. De heffingskorting voor de premie volksverzekeringen wordt al tijdsevenredig berekend.

Kindgebonden budget hoger voor alleenstaande ouders
Het kindgebonden budget wordt hoger voor alleenstaande ouders door invoering van de alleenstaande ouderkop van € 3050. Het toetsingsinkomen wordt gerelateerd aan het minimumloon, waardoor de afbouw van het kindgebonden budget al begint bij € 19.767 (2014: € 26.146). Het afbouwpercentage daalt van 7,6% naar 6,75%.

Vrijstelling voor zelf opgewekte elektriciteit met installatie van een ander
Huurders die duurzame elektriciteit verbruiken die is opgewekt door een installatie op of aan de woning, zijn vrijgesteld voor die verbruikte elektriciteit. Hiermee maakt het kabinet in de huursector mogelijk dat op grotere schaal ook zonnepanelen op huurwoningen worden geplaatst.

Lagere energiebelastingvermindering door belastingplicht particuliere zonnepaneleneigenaren
Als gevolg van het arrest Fuchs kunnen zonnepanelenbezitters de btw op de aanschaf en installatie van zonnepanelen verrekenen. Ter dekking van deze onvoorziene belastingderving wordt de energiebelastingvermindering voor WOZ-objecten met een verblijfsfunctie de komende jaren licht verlaagd, en voor WOZ-objecten zonder verblijfsfunctie afgeschaft.

Afvalstoffenbelasting ook voor particuliere stort
Vanaf 1 januari 2015 geldt de afvalstoffenbelasting voor al het afval dat vanuit Nederland wordt gestort door bedrijven, gemeenten of particulieren. De afvalstoffenbelasting bedraagt € 13 per 1000 kilogram. De belasting wordt geheven aan de poort van de stort- en verbrandingsinrichtingen.

Hogere zorgpremie en stijging eigen risico
De nominale premie voor de zorgverzekering gaat volgend jaar weer iets omhoog. Eind november van dit jaar wordt duidelijk met hoeveel. Het eigen risico stijgt met € 15 van € 360 in 2015 naar € 375 in 2015.

Heeft u verder nog vragen over bovenstaande maatregelen en hoe deze uitpakken voor uw onderneming, dan kunt u ons natuurlijk altijd bellen.

Bij de samenstelling van de teksten is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.

Terug naar overzicht

Augustus 2014

Extra voorwaarden jongere werknemer

Vanaf 1 juli aanstaande kunt u als werkgever een premiekorting ontvangen als u in 2014 en/of 2015 een jongere in dienst neemt vanuit een ww- of bijstandspositie. Inmiddels zijn wat meer details bekend over deze nieuwe premiekorting jongere werknemer. Zo blijkt met name een onderbroken dienstverband een struikelblok te zijn.

Regeling in het kort

De premiekorting is een tijdelijke regeling, specifiek om nieuwe banen te creëren in de periode 
1 januari 2014 tot 1 januari 2016. U heeft hierover al eerder kunnen lezen in de eerste nieuwsbrief van dit jaar. In het kort komt de regeling erop neer dat wanneer u dit jaar en/of volgend jaar iemand vanuit een ww- of bijstandspositie in dienst neemt in de leeftijd tussen 18 en 27 jaar, u voor de duur van de dienstbetrekking – maar maximaal twee jaar – recht heeft op een premiekorting van € 3.500 per jaar. Het moet gaan om een dienstbetrekking voor ten minste 32 uur per week en op basis van minimaal een halfjaarcontract.

Let op!

De premiekorting geldt voor jongeren die vanaf 1 januari 2014 bij u in dienst treden, maar u kunt de premiekorting pas vanaf 1 juli 2014 in uw loonaangifte toepassen.

Zonder doelgroepverklaring geen premiekorting

Voor toepassing van de premiekorting moet u kunnen aantonen dat de jongere voorafgaand aan de dienstbetrekking recht had op een ww- of bijstandsuitkering. Daarvoor moet u bij de loonadministratie een doelgroepverklaring van het UWV of de gemeente bewaren. Zonder verklaring waaruit blijkt dat de werknemer direct voorafgaand aan de dienstbetrekking een ww- of bijstandsuitkering had, komt u niet in aanmerking voor de premiekorting!

Tip:
De jongere met een ww-uitkering kan deze doelgroepverklaring vanaf 1 mei 2014 aanvragen bij het UWV. De jongere met een bijstandsuitkering kan de doelgroepverklaring aanvragen bij zijn gemeente.

Onderbroken dienstverband

Om misbruik met de premiekorting te voorkomen, zijn er nadere regels gesteld. Het is namelijk niet de bedoeling dat een bestaande dienstbetrekking wordt beëindigd, om na een korte uitkeringsperiode weer een dienstverband aan te gaan met als doel opnieuw te voldoen aan de voorwaarden voor de premiekorting. In de volgende situatie komt u, bij een tijdelijk onderbroken dienstverband, daarom niet in aanmerking voor de premiekorting:
de jongere is vóór 1 januari 2014 al eerder bij u in dienst geweest, maar dit dienstverband is of wordt beëindigd vóór, op of na 1 januari 2014, aan de jongere is vervolgens een ww- of bijstandsuitkering toegekend, de jongere treedt binnen drie maanden na beëindiging van het dienstverband opnieuw bij u in dienst.

In bovenstaande situatie heeft u geen recht op de premiekorting, omdat dit voor de regeling niet wordt gezien als een onderbroken dienstverband. De dienstbetrekking is namelijk aangevangen vóór 1 januari 2014 en door de driemaandperiode worden de beide dienstbetrekkingen beschouwd als één.

Let op!

Een onderbroken dienstverband heeft, afhankelijk van de tussenliggende periode, ook gevolgen voor de maximale premiekortingsperiode van twee jaar.

Onderbroken voorwaarden

Als basis geldt dat een dienstbetrekking niet langer dan drie maanden mag worden onderbroken om recht te houden op de maximale premiekortingsperiode. Ook zonder onderbreking kan het zijn dat u de premiekorting niet meer kunt toepassen. Bijvoorbeeld omdat er gekort wordt op de overeengekomen contractduur (minimaal een halfjaar) of de arbeidsduur (minimaal 32 uur). Voldoet u daarna weer wel aan de voorwaarden, dan herleeft mogelijk weer het recht op premiekorting. Uw adviseur kan u hier meer over vertellen.

Herinvesteringsreserve? Houd de regels in acht

Met de herinvesteringsreserve kunt u de opbrengst van de verkoop van een bedrijfsmiddel gebruiken voor de herinvestering in een ander bedrijfsmiddel. U kunt zo de belastingheffing over de behaalde boekwinst bij de verkoop van het bedrijfsmiddel uitstellen. Dat kan echter alleen als u de regels goed in acht neemt.

Herinvesteringsvoornemen

U kunt alleen een herinvesteringsreserve vormen als u op de balansdatum het voornemen heeft om te herinvesteren in een bedrijfsmiddel. Kort gezegd reserveert u de boekwinst bij verkoop van een bedrijfsmiddel om dit vervolgens af te boeken op de investering in een of meer andere bedrijfsmiddelen. Deze boekwinst bestaat uit de verkoopopbrengst – verminderd met eventuele kosten – minus de boekwaarde van het verkochte bedrijfsmiddel.

Zolang u het voornemen tot herinvesteren heeft, mag u de reserve aanhouden. Er is echter wel één belangrijke restrictie: de herinvesteringstermijn bedraagt maximaal drie jaar, na het jaar waarin u het bedrijfsmiddel heeft verkocht. Bent u niet meer van plan om te herinvesteren of zijn de drie jaar verstreken, dan moet u de herinvesteringsreserve (of het restant daarvan) alsnog toevoegen aan de winst.

Tip:
Onder strikte voorwaarden kan de driejaarstermijn worden verlengd. Dat kan alleen als voor de herinvestering een langer tijdvak vereist is (gezien de aard van de door u aan te schaffen bedrijfsmiddelen) of wanneer de herinvestering door bijzondere omstandigheden is vertraagd.

Afboeken van de reserve

Koopt u een nieuw bedrijfsmiddel, dan moet u de reserve afboeken op de aanschafprijs van deze nieuwe investering. Door deze afboeking kunt u dan minder afschrijven op het nieuwe bedrijfsmiddel. Daarbij geldt een boekwaarde-eis. Dat wil zeggen dat bij afboeking de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel niet lager mag worden dan de boekwaarde van het verkochte (vervreemde) bedrijfsmiddel op het moment van verkoop (vervreemding). Is op het verkochte bedrijfsmiddel in het verleden willekeurig afgeschreven, dan moet u uitgaan van de boekwaarde zonder rekening te houden met deze willekeurige afschrijving.

Tip:

U moet een herinvesteringsreserve afboeken bij aanschaf van een nieuw bedrijfsmiddel. Dit geldt echter niet voor een herinvesteringsreserve die is gevormd bij de verkoop van een bedrijfsmiddel waarop in meer dan tien jaar wordt afgeschreven of waarop niet wordt afgeschreven. Deze hoeft pas te worden afgeboekt als u een bedrijfsmiddel aanschaft met eenzelfde economische functie als het verkochte bedrijfsmiddel. Houd echter wel de driejaarstermijn goed in de gaten!

Vervangend bedrijfsmiddel

U bent ook niet verplicht om te investeren in eenzelfde bedrijfsmiddel. Heeft u bijvoorbeeld met de verkoop van machines boekwinst behaald en hiervoor een herinvesteringsreserve gevormd, dan kunt u de herinvesteringsreserve ook (deels) afboeken op de aanschafprijs van bijvoorbeeld nieuw kantoorinventaris. Op deze regel bestaat een uitzondering. Afboeking op bedrijfsmiddelen waarop niet wordt afgeschreven (grond) of bedrijfsmiddelen met een afschrijvingstermijn langer dan tien jaar (zoals gebouwen), kan alleen als sprake is van eenzelfde economische functie. Gereserveerde boekwinst bij verkoop van een machine kunt u dus niet afboeken op de aanschaf van een bedrijfspand.

Wat u nog moet weten over de komende pensioenaanscherpingen

De Eerste Kamer heeft onlangs ingestemd met een verdere pensioenversobering vanaf 2015. Maximale pensioenopbouwpercentages gaan wederom omlaag en het loon waarover pensioen kan worden opgebouwd, wordt beperkt tot € 100.000. Wie meer verdient, kan fiscaal vriendelijk bijsparen voor de oude dag met een nettolijfrente. In een eerdere nieuwsbrief (deel 2) van dit jaar heeft u al kunnen lezen over de nieuwe pensioenaanscherpingen per 2015. Deze versoberingen hebben echter ook gevolgen voor onder andere de opbouw van de oudedagsreserve voor ondernemers, voor de lijfrentepremieaftrek in de inkomstenbelasting en voor het partnerpensioen.

Bijkomende gevolgen maximumpensioenopbouw en partnerpensioen

Vanaf 2015 is het maximale salaris waarover pensioen kan worden opgebouwd, beperkt tot 
€ 100.000. Dit wordt de aftoppingsgrens genoemd. Deze maximering van het pensioengevend loon geldt niet voor het arbeidsongeschiktheidspensioen. De aftoppingsgrens van € 100.000 heeft ook geen gevolgen voor het op 1 januari 2015 reeds opgebouwde partnerpensioen. Dat geldt ook voor het partnerpensioen op risicobasis. De aftoppingsgrens zal echter wel gelden voor het partnerpensioen, al dan niet op risicobasis, over de dienstjaren na 1 januari 2015.

Let op!
Nu vanaf 1 januari 2015 het partnerpensioen ook is afgetopt, kan dit financiële gevolgen hebben wanneer iemand voor zijn pensioeningangsdatum overlijdt. Wie deze beperking van het partnerpensioen bij vooroverlijden ongewenst vindt, zal hiervoor zelf een voorziening (verzekering) moeten treffen. Dat kan eventueel ook via de nettolijfrente.

Werkgeversbijdrage en de nettolijfrente

Wie meer verdient dan € 100.000 kan op vrijwillige basis fiscaal vriendelijk bijsparen voor de oude dag met een nieuwe faciliteit: de nettolijfrente. Hierdoor kan alsnog een oudedagsvoorziening worden opgebouwd die ongeveer overeenkomt met een jaarlijkse brutopensioenopbouw van 1,875% van het gemiddeld verdiende arbeidsinkomen. Verzekeraars, banken en beleggingsinstellingen mogen straks de nettolijfrente aanbieden. Momenteel wordt nog bekeken onder welke condities straks ook pensioenfondsen de nettolijfrente kunnen gaan uitvoeren.

Als werkgever mag u een bijdrage verstrekken aan uw werknemers die deelnemen aan de nettolijfrente. Voorwaarde is wel dat u dan de bijdrage ook geeft aan werknemers die niet deelnemen aan de faciliteit. Deze werkgeversbijdrage wordt tot het loon gerekend en daarmee in de belastingheffing betrokken.

Let op!

Mochten uw werknemers straks deelnemen aan een nettolijfrente bij een pensioenfonds, dan geldt een verplichte werkgeversbijdrage van ten minste 10%. Ook hier geldt de voorwaarde dat u de bijdrage ook betaalt aan vergelijkbare werknemers die niet deelnemen aan een nettolijfrente bij het pensioenfonds.

Beperking lijfrentepremieaftrek

De nettolijfrente is een nieuwe faciliteit, maar ook de huidige lijfrente blijft gewoon bestaan in de inkomstenbelasting. De pensioenversobering raakt echter wel de maximale lijfrentepremieaftrek vanaf 2015. Dit jaar bedraagt het maximale premiepercentage over de grondslag nog 15,5% (2013: 17%). Per 1 januari 2015 gaat dit percentage verder omlaag naar 13,8%. Bovendien wordt bij de berekening van de premieaftrek ook rekening gehouden met de nieuwe aftoppingsgrens van € 100.000. Uiteraard blijft gelden dat u alleen de door u betaalde lijfrentepremies in aftrek kunt brengen wanneer u een pensioentekort heeft. Daarvoor wordt gekeken naar de jaarruimte en/of reserveringsruimte.

Opbouw fiscale oudedagsreserve aan banden

Tot slot nog een bijkomend gevolg van de pensioenversobering. Bent u ondernemer in de inkomstenbelasting, dan kunt u in 2015 minder ‘sparen’ voor uw oude dag in de onderneming. Dit jaar mag u, wanneer u voldoet aan de voorwaarden en indien gewenst, nog 10,9% van de winst toevoegen aan de fiscale oudedagsreserve met een maximum van € 9.542. Volgend jaar gaat dit omlaag naar 9,8% en een maximumbedrag van € 8.640.

Aanpassing pensioenregeling vóór 2015

De pensioenaanscherpingen per 2015 kunnen gevolgen hebben voor bestaande pensioenregelingen van uw werknemers. Ook wanneer u als directeur-grootaandeelhouder pensioen in eigen beheer opbouwt, is het van belang dat u (opnieuw) toetst of uw pensioen in lijn is met de nieuwe wetgeving.

Let op!
Indien uw pensioenbrief niet vóór 2015 is aangepast aan de nieuwe wetgeving, kan de Belastingdienst uw volledige pensioenaanspraak belasten en een boete opleggen. Indien u wilt weten of de pensioenaanscherpingen gevolgen hebben voor uw pensioenregeling, neemt u dan tijdig contact op.

Aanscherping btw-controles mkb

Wiebes kondigt aanscherping btw-controles in mkb aan.

Staatsecretaris Wiebes van Financiën heeft aangekondigd dat de Belastingdienst de controle op btw-teruggaafverzoeken in het mkb gaat aanscherpen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de behandeling van de individuele negatieve norm (verzoeken om teruggaaf door bedrijven), de behandeling van de balansschulden (vergelijking tussen de omzetschuld van de winstaangifte en werkelijke afgedragen omzetbelasting) en behandeling van de aangiften met aftrek voorbelasting zonder omzet.

Wiebes doet deze uitlatingen in een brief aan de Tweede kamer waarin hij vragen over zijn ‘brede agenda’ voor de Belastingdienst beantwoordt. Op de vraag op welke gebieden binnen de fiscaliteit de verwachte opbrengst van meer controles het grootst is, geeft Wiebes aan dat een aantal gebieden is geselecteerd bij de intensivering van het toezicht en de invordering. Daarvan maakt de aanscherping van btw-aangiften in het mkb deel uit.

TIPS!

TIPS

1. Nieuwe werkwijze voor de voorlopige teruggaaf

Heeft u aftrekposten, zoals de hypotheekrenteaftrek, en krijgt u daardoor jaarlijks belastinggeld terug, dan kunt u de Belastingdienst vragen om een voorlopige teruggaaf. De teruggave ontvangt u dan – in plaats van achteraf – alvast gedurende het belastingjaar zelf. U hoeft slechts eenmaal te vragen om een voorlopige teruggaaf, want daarna ontvangt u deze jaarlijks automatisch van de Belastingdienst.

Nu is deze voorlopige teruggaaf gebaseerd op historische gegevens en daar schuilt een gevaar. Wanneer achteraf blijkt dat er grote verschillen zitten tussen de voorlopige en de definitieve aanslag waardoor u te veel belastinggeld heeft ontvangen, dan zult u dit teveel moeten terugbetalen.

Dat gebeurt op dit moment vaker dan gewenst. Om beter bij de realiteit aan te sluiten, gaat de Belastingdienst daarom vanaf volgend jaar de automatisch toegestuurde voorlopige teruggaaf baseren op de gegevens uit de definitieve aanslag 2013, die in 2014 is opgelegd.

2. Belastingkorting voor onverrekend verlies uit aanmerkelijk belang

Als directeur-grootaandeelhouder (dga) zijn de voordelen die u geniet vanuit de bv bij u belast in box 2. Denk bijvoorbeeld aan een dividenduitkering. Ook over een vervreemdingsvoordeel, wanneer u uw aandelen verkoopt, bent u het aanmerkelijkbelangtarief verschuldigd. Voordelen hoeven echter niet altijd positief te zijn. Bij een negatief voordeel lijdt u verlies uit aanmerkelijk belang. Dit verlies kunt u verrekenen met positief aanmerkelijkbelanginkomen van het voorgaande jaar en eventueel van de komende negen jaar.

Door deze verrekeningsmethodiek kan het voorkomen dat wanneer u op enig moment geen aanmerkelijk belang meer heeft, u blijft zitten met een (onverrekend) verlies. Dit verlies mag u dan op verzoek omzetten in een belastingkorting. Het verzoek moet worden ingediend bij de Belastingdienst.

De belastingkorting bedraagt 25% van het onverrekend verlies uit aanmerkelijk belang. De korting kunt u verrekenen met de belasting en premie volksverzekeringen in box 1. Dat kan echter pas in het tweede jaar nadat het aanmerkelijk belang is geëindigd.

3. Betere bescherming flexwerker een halfjaar uitgesteld

De Eerste Kamer heeft op dinsdag 10 juni 2014 ingestemd met de Wet werk en zekerheid. Hierdoor komt er meer en sneller zekerheid voor werknemers met tijdelijke contracten, gelden er gewijzigde ontslagregels, krijgen werknemers straks bij ontslag een transitievergoeding en wordt de maximale duur van de ww stapsgewijs teruggebracht van 38 naar 24 maanden. De belangrijkste hervormingen voor de arbeidsmarkt hebben we al voor u op een rij gezet in een eerdere nieuwsbrief (deel 3/2014).

Tijdens de behandeling van de Wet werk en zekerheid in de Eerste Kamer heeft minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd dat de gewijzigde regels voor tijdelijke contracten niet, zoals eerder aangekondigd, zullen ingaan per 1 juli aanstaande, maar pas op 1 januari 2015. U heeft dus een halfjaar langer de tijd om u voor te bereiden op de nieuwe regels. Vanaf dan mag u geen proeftijd meer opnemen in tijdelijke contracten van zes maanden of minder, moet u tijdig rekening houden met een aanzegplicht, is een concurrentiebeding in een tijdelijk contract alleen nog mogelijk in bijzondere omstandigheden en wordt de uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting in oproepcontracten aan banden gelegd.

4. Minimumloon per 1 juli 2014 omhoog

Het wettelijk brutominimumloon per maand voor werknemers van 23 jaar en ouder met een volledig dienstverband gaat per 1 juli 2014 omhoog van € 1.485,60 naar € 1.495,20. Per week is dat € 345,05 en per dag € 69,01. Ook voor werknemers in de leeftijdsklasse van 15 tot en met 22 jaar stijgt het brutominimumjeugdloon. Zo bedraagt het minimumjeugdloon voor een 22-jarige vanaf 1 juli aanstaande € 1.270,90 per maand. Voor een 15-jarige is dit € 448,55.

  • Als werknemer moet u de brutobedragen van het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon aanpassen in uw salarisadministratie. U bent verplicht om het juiste brutominimumloon dat bij de leeftijd van uw werknemer hoort te vermelden op de loonstrook..
  • Het wettelijk minimumloon geldt als minimumbeloning voor werknemers. De Inspectie SZW controleert dan ook regelmatig bij bedrijven of werknemers niet onderbetaald worden. Een werkgever die minder dan het wettelijk minimumloon uitbetaalt, riskeert een forse boete..

5. Vrije bewijsleer voor de reisaftrek

Maakt u voor het woon-werkverkeer gebruik van het openbaar vervoer, dan komt u mogelijk in aanmerking voor de reisaftrek in de inkomstenbelasting. Een van de voorwaarden voor deze reisaftrek is recentelijk versoepeld. Voortaan geldt een ‘vrije bewijsleer’. Dat wil zeggen dat als de Belastinginspecteur u verzoekt om bewijs te leveren voor de reisaftrek, u dit bewijs ook op een andere manier mag leveren dan met plaatsbewijzen of overzichten van transacties. Er gelden daarbij twee voorwaarden:

  • U overlegt een reisverklaring van de werkgever waaruit blijkt welk reispatroon u heeft gehad in het betreffende jaar.
    U maakt aannemelijk dat u de reizen woon-werkverkeer heeft gemaakt. Dit is bijvoorbeeld mogelijk met betalingsbewijzen voor de OV-chipkaart of de reisgegevens van TLS (Trans Link Systems).
  • De ‘vrije bewijsleer’ geldt voor de belastingaanslagen die betrekking hebben op de jaren 2011 en verder. Heeft de Belastinginspecteur de door u opgevoerde reisaftrek in de belastingaangifte inkomstenbelasting 2011 of 2012 gecorrigeerd omdat u de reisgegevens bij het OV-bedrijf niet meer heeft kunnen downloaden, dan kunt u de inspecteur vragen om een herbeoordeling van uw belastingaangifte.

6. Alle opvolgende auto’s tezamen voor de 500-kilometergrens

Rijdt u in een auto van de zaak, dan heeft u vrijwel altijd te maken met een bijtelling voor het privégebruik. Dit is alleen anders als u op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met de auto rijdt. U moet dit dan wel kunnen aantonen met een sluitende kilometeradministratie. Wat nu als u gedurende het jaar met een andere auto van de zaak gaat rijden en met de eerste auto nagenoeg geen privékilometers hebt gereden? Maakt u met de nieuwe auto van de zaak privékilometers, waardoor u alsnog op jaarbasis boven de 500-kilometergrens gaat uitkomen, dan moet u voor beide auto’s rekening houden met een bijtelling. Voor deze kilometergrens tellen namelijk de gereden privékilometers van alle zakelijke auto’s in hetzelfde jaar mee. De bijtelling dient u tijdsgelang te baseren op de verschillende catalogusprijzen van de auto’s.

Bij de samenstelling van de teksten is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.

Juni 2014

Afschaffing bedrijfsopvolgingsregeling?

Recentelijk heeft Staatssecretaris Wiebes het voornemen geuit om te onderzoeken of de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) kan worden versoberd of zelfs geheel kan worden afgeschaft.

Vanwege de zware kritiek van ondernemers, heeft de staatssecretaris zijn voorstel vrijwel direct weer ingetrokken. Volgens het Financieel Dagblad kondigde een woordvoerder van het ministerie aan dat de BOR in ieder geval gedurende de huidige kabinetsperiode niet zal worden aangepast. Dit betekent echter niet dat het voornemen om de BOR te wijzigen, van tafel is

Verlaging belastingdruk van 40% naar 3,4%

Bij schenking of vererving van een onderneming of van aandelen in een vennootschap, bedraagt de belastingdruk zonder de BOR al snel 40% bij overdracht aan een kind. Dit kan zelfs verder oplopen tot 55%, wanneer de onderneming niet aan een kind, maar aan een ander wordt overgedragen.
Door toepassing van de BOR kan de belastingdruk worden verlaagd tot ongeveer 3,4% over de waarde van de aandelen en bij een waarde van de onderneming tot € 1 miljoen, zelfs tot 0%!

‘Storm in een glas water’?

De uitingen van de staatssecretaris vormen een belangrijke indicatie dat het massale gebruik van de BOR het kabinet achteraf toch teveel geld kost en dat een wijziging van de BOR als een eenvoudige bezuinigingsmogelijkheid wordt gezien. Hoewel het voorstel van de staatssecretaris door velen als een `storm in een glas water` wordt beschouwd, gaat het kabinet ondertussen nog altijd verder met een uitvoerige evaluatie van de BOR. Er bestaat dan ook een reële kans dat deze evaluatie alsnog tot plannen leidt om de BOR te versoberen of geheel af te schaffen.

Bent u voorbereid?

Indien het huidige kabinet de termijn volledig uitzit, dan is de BOR op basis van de uitlatingen van het ministerie, nog ongeveer drie jaar ‘veilig’. Dit lijkt lang, maar wanneer ondernemers zich niet tijdig voorbereiden, kan het bij een aankondiging van nieuwe kabinetsplannen wel eens te laat zijn om op dat moment nog gebruik te maken van de BOR.

Let op!
De resterende kabinetsperiode van drie jaar, biedt ondernemers precies voldoende tijd om zich voor te bereiden om de onderneming al bij leven te schenken. Voor een schenking moet uw kind of een andere bedrijfsopvolger namelijk gedurende drie jaar in dienstbetrekking zijn bij de onderneming.

Indien u in de toekomst gebruik wenst te maken van de BOR en voorbereid wilt zijn op nieuwe kabinetsplannen, dan adviseren wij om op zeer korte termijn te inventariseren of uw situatie voldoet aan de BOR-voorwaarden. Indien dit niet het geval is, dan kunt u hier nu nog op inspelen en uw situatie optimaliseren door bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst voor uw kind(eren) op te stellen.

BOR & vastgoed

Lange tijd was men in de veronderstelling dat de BOR in beginsel niet gold voor vastgoedondernemingen, omdat de Belastingdienst de exploitatie van vastgoed als een belegging beschouwde en niet als onderneming. In een aantal recente rechtszaken is echter anders bepaald en hebben rechters geoordeeld dat vastgoedondernemingen onder omstandigheden ook kunnen kwalificeren voor de BOR.

Of uw vastgoedonderneming ook als een onderneming voor de BOR kan kwalificeren is sterk afhankelijk van de feiten. Dit kan echter ook mogelijkheden bieden om uw situatie te optimaliseren en zodanig in te richten dat deze meer overeenkomt met de ondernemingen uit de rechtszaken. Ook hier geldt dat een tijdige inventarisatie en voorbereiding kan lonen!

Pas op met lening

Als directeur-grootaandeelhouder (dga) bent u in de positie om aan uw bv een lening te verstrekken. Mits dit op zakelijke gronden gebeurt, is daar niets mis mee. Het wordt oppassen geblazen als de lening kwalificeert als ‘onzakelijk’. Er kan dan sprake zijn van een informele kapitaalstorting met alle gevolgen van dien.

Zakelijkheid geboden

Iedere transactie tussen u en uw bv moet zakelijk verlopen. Wanneer u geld leent aan de bv, mag een schriftelijke leningsovereenkomst dan ook niet ontbreken. In deze overeenkomst staan de afspraken over de looptijd van de lening, een terugbetalingsverplichting, de zakelijke rente, welke zekerheden er zijn gesteld en wat de gevolgen zijn als een van beide partijen zich niet aan de afspraken houdt of kan houden.

Tip:
Stel uzelf de vraag of een onafhankelijke derde onder dezelfde condities een dergelijke leningsovereenkomst zou afsluiten. Zo kunt u de zakelijkheid van de lening bepalen.

Terbeschikkingstelling

Leent u onder zakelijke voorwaarden geld aan uw bv, dan krijgt u te maken met de terbeschikkingstellingsregeling. De rente op de geldlening is bij u belast in box 1 tegen het progressieve tarief. Voor de bv is de aan u zakelijk betaalde rente aftrekbaar.

Stappenplan (on)zakelijke lening

IAlle goede bedoelingen ten spijt kan een lening toch als onzakelijk worden gezien. Aan de hand van de volgende stappen zal de Belastingdienst beoordelen of sprake is van een zakelijke of een onzakelijke lening:

    • Stap 1:
      De leningsovereenkomst dient als uitgangspunt, met als belangrijk element de terugbetalingsverplichting. Ook als de leningsovereenkomst voldoende zakelijk is, kan toch sprake zijn van een onzakelijke lening. Bijvoorbeeld omdat al op voorhand duidelijk is dat de bv de lening niet kan terugbetalen.
    • Stap 2:
      Vervolgens wordt gekeken naar de rentevergoeding, in combinatie met de overige elementen uit de leningsovereenkomst. Is de vergoeding niet zakelijk genoeg (in het zakelijk verkeer met een onafhankelijke derde zou een andere vergoeding gelden), dan speelt de vraag of deze kan worden gecorrigeerd, zodat alsnog een zakelijke rente ontstaat. Zo ja, dan is toch sprake van een zakelijke lening.
    • Stap 3:
      s de rentevergoeding niet te corrigeren, dan kwalificeert de lening als onzakelijk. U heeft dan als geldverstrekker een debiteurenrisico gelopen die een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.
    • Stap 4:
      Of sprake is van een onzakelijke lening moet worden beoordeeld op het moment van het aangaan van die lening. Maar let op: een zakelijke lening kan gedurende de looptijd toch onzakelijk worden. Bijvoorbeeld omdat leningsvoorwaarden worden aangepast of wanneer u niet op tijd actie heeft ondernomen als blijkt dat het slecht gaat met de bv. Ook dan heeft u op onzakelijke gronden een te groot debiteurenrisico gelopen.

Gevolgen van een onzakelijke lening

Bestempelt de Belastingdienst de lening aan uw bv als onzakelijk, dan vinden er correcties en naheffingen plaats – al dan niet met boetes – in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Bij een onzakelijke lening is sprake van een informele kapitaalstorting. Kan de bv het geleende bedrag niet aan u terugbetalen, dan mag u hierdoor geen verlies in aanmerking nemen als negatief resultaat in box 1 (terbeschikkingstelling).

Let op!
Een verlies is dan op termijn slechts verrekenbaar in box 2 tegen 25% (2014: 22%) en dan alleen als de lening wordt kwijtgescholden.

Einde tijdelijk arbeidscontract

Werkt u veel met tijdelijke arbeidscontracten, dan moet u rekening houden met de nieuwe aanzegplicht die naar alle waarschijnlijkheid gaat gelden vanaf 1 juli 2014. Door deze nieuwe verplichting moet u voortaan de werknemer op tijd schriftelijk op de hoogte stellen of u zijn tijdelijke contract al dan niet gaat verlengen en onder welke voorwaarden. Doet u dat niet, dan is de sanctie één maandsalaris.

Nieuwe aanzegplicht

Momenteel eindigen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd altijd van ‘rechtswege’. Aanzegging is dus niet nodig, maar daar komt verandering in. De nieuwe aanzegplicht is opgenomen in het wetsvoorstel Wet werk en zekerheid dat momenteel bij de Eerste Kamer in behandeling is. Stemt de Eerste Kamer in, dan moet u rekening houden met het volgende: vanaf 1 juli moet u een werknemer met een automatisch eindigend tijdelijk contract van zes maanden of langer, uiterlijk één maand voor het einde schriftelijk informeren of u het arbeidscontract eindigt of voortzet en zo ja, onder welke voorwaarden.

Deze aanzegplicht geldt ook voor opvolgende contracten van zes maanden of langer. Het is ook toegestaan om al bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd het einde van de arbeidsovereenkomst aan te zeggen.

Let op!
De aanzegplicht gaat waarschijnlijk in op 1 juli aanstaande, maar geldt nog niet voor de tijdelijke arbeidsovereenkomsten die binnen één maand na 1 juli 2014 eindigen. Voor de reeds afgesloten tijdelijke arbeidsovereenkomsten die aflopen op of na 1 augustus 2014 krijgt u dus al wel te maken met de aanzegplicht.

Uitzonderingen op de aanzegplicht

In de volgende gevallen geldt de aanzegplicht niet:

  • De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan voor minder dan zes maanden. De aanzegplicht geldt ook niet bij opvolgende contracten met een dergelijke korte duur.
  • Het betreft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd waarin geen vaste einddatum is opgenomen. Denk bijvoorbeeld aan een tijdelijke arbeidsovereenkomst om een zieke werknemer te vervangen of een overeenkomst voor de duur van een bepaald project.
  • In de arbeidsovereenkomst is een uitzendbeding opgenomen.

Vergoeding bij niet naleven aanzegplicht

Houdt u zich niet aan de schriftelijke aanzegplicht, dan bent u een vergoeding verschuldigd aan de werknemer van één maandsalaris. Bent u te laat met aanzeggen, dan bent u een vergoeding naar rato verschuldigd. Deze vergoeding kent overigens een vervaltermijn. De werknemer zal binnen drie maanden na de dag waarop de aanzegverplichting is ontstaan een beroep moeten doen op het niet nakomen van deze verplichting door de werkgever. U betaalt geen vergoeding in geval van
faillissement, surseance van betaling of bij toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

Let op!
Ondanks een te late of geen aanzegging eindigt de arbeidsovereenkomst wel gewoon van rechtswege. Wordt echter na de einddatum van de arbeidsovereenkomst doorgewerkt, dan wordt de overeenkomst geacht te zijn voortgezet voor dezelfde tijd en onder dezelfde voorwaarden, maar ten hoogste voor een jaar.

Minnelijke taxatie

De waardering van een bedrijfspand is bepaald niet eenvoudig. Om discussies over een te hoge of een te lage waardering met de Belastingdienst te voorkomen, is het mogelijk om een minnelijke taxatie aan te vragen.

Zekerheid gewenst

Er zijn verschillende situaties denkbaar waarbij zekerheid over de waarde van een bedrijfspand wenselijk kan zijn. U wilt bijvoorbeeld een door u in privé gehouden pand inbrengen in de bv of juist andersom. Wellicht wilt u het tot het vermogen van de bv behorende bedrijfspand wel overdragen aan uw zoon of dochter. In deze tijd is het ook niet ondenkbaar dat het pand sterk in waarde is gedaald, waardoor misschien een afwaardering naar een lagere bedrijfswaarde gewenst is.

In een te lage of een te hoge waardering van een bedrijfspand schuilt een gevaar. De Belastingdienst kan zich dan op het standpunt stellen dat sprake is van onzakelijk handelen. Dat kan leiden tot diverse correcties en naheffingen, eventueel met boetes. Om discussies met de Belastingdienst te voorkomen over de waardering van het bedrijfspand, kan een minnelijke taxatie uitkomst bieden.

Minnelijke taxatie

Bij een minnelijke taxatie zullen een taxateur van de Belastingdienst en een door uzelf aangewezen taxateur gezamenlijk de waarde van het pand bepalen. In de volgende gevallen kunt u een gezamenlijke (minnelijke) taxatie aanvragen:

  • Er vindt een overdracht of overgang van een pand plaats of heeft plaatsgevonden tussen u en een gelieerde partij (bijvoorbeeld uw bv).
  • U verschilt van inzicht met de Belastingdienst over de waarde van een pand of er kan een verschil van inzicht ontstaan.
  • De gezamenlijke taxatie wordt namens alle belanghebbenden gedaan.

Let op!

Bent u van plan het pand te verkopen aan derden of geldt bij het bepalen van de belasting een vaste waarde (bijvoorbeeld de WOZ-waarde) voor het pand, dan kunt u hiervoor geen minnelijke taxatie aanvragen.

Open kaart

Het is van groot belang dat bij een minnelijke taxatie beide partijen volledig open kaart spelen. De in overleg tussen u en de Belastingdienst uiteindelijk vastgestelde waarde van het bedrijfspand wordt namelijk vastgelegd in een voor beide partijen bindende vaststellingsovereenkomst. U krijgt zekerheid en kunt hieraan vertrouwen ontlenen, maar u bent ook gebonden aan de vaststellingsovereenkomst. Het is dan ook van groot belang dat vooraf het doel van een minnelijke taxatie – voor zowel u als de Belastingdienst – helder is. Zorg er ook voor dat u alle relevante omstandigheden uitwisselt met de Belastingdienst, anders loopt u het risico dat u aan de minnelijke taxatie toch geen vertrouwen kunt ontlenen. Denk bijvoorbeeld aan een eventuele verpachte staat, achterstallig onderhoud, bestemmingswijzigingen en recente investeringen.

Let op!
De uitkomst van een minnelijke taxatie biedt zekerheid, maar u bent er ook aan gebonden. Zijn niet alle doelen en omstandigheden goed in kaart gebracht, dan kunt u geen vertrouwen ontlenen aan de vastgestelde waarde van het bedrijfspand. Bij een achteraf te hoge of te lage waardering moet u alsnog rekening houden met fiscale consequenties.

Einde keuzemogelijkheid

Werkt u in Nederland of heeft u andere inkomsten uit of bezittingen in Nederland en woont u elders, dan mag u voor de inkomstenbelasting in bepaalde gevallen kiezen voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplicht. Dat kan, afhankelijk van uw situatie, voor- of nadelig zijn. Aan die keuzemogelijkheid komt binnenkort een eind. Vanaf 2015 geldt automatisch de nieuwe regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht als u voldoet aan bepaalde voorwaarden.

Regeling kwalificerende buitenlandse belastingplicht

Per 1 januari 2015 vervalt de keuzeregeling. Daarvoor in de plaats komt een eenvoudigere, maar wel striktere regeling: de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht. Als buitenlands belastingplichtige kunt u alleen nog een beroep doen op Nederlandse aftrekposten, heffingskortingen en het heffingvrije vermogen in box 3 als u voldoet aan de volgende drie voorwaarden:

  • U woont in een EU-land, in Liechtenstein, Noorwegen, IJsland, Zwitserland, op Bonaire, 
Sint Eustatius of Saba.
  • U betaalt over minimaal 90% van uw wereldinkomen in Nederland belasting. Voor dit 90%-inkomenscriterium telt niet alleen uw inkomen uit werk en woning mee, maar ook uw vermogen en uw inkomsten uit aanmerkelijk belang. Of u voldoet aan de eis van minimaal 90% wordt beoordeeld naar Nederlandse maatstaven.
  • U kunt een inkomensverklaring overleggen van de Belastingdienst van uw woonland. Op dit moment zijn nog niet alle eisen bekend waaraan deze inkomensverklaring moet voldoen. Ook moet nog duidelijk worden wanneer een dergelijke verklaring achterwege mag blijven.

Tip:

Woont u in België en voldoet u niet aan het 90%-inkomenscriterium, dan heeft u mogelijk toch recht op bepaalde aftrekposten en heffingskortingen. Uw adviseur kan u hier meer over vertellen. Woont u in Suriname, op Aruba, Sint Maarten of Curaçao, dan is de nieuwe regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht niet op u van toepassing. Wel kunt u recht hebben op bepaalde aftrekposten en heffingskortingen.

Voldoet u aan de voorwaarden voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht, dan heeft u recht op dezelfde aftrekposten als een inwoner van Nederland. Kunt u echter bepaalde aftrekposten in uw woonland in aanmerking nemen, dan komen deze niet in aftrek in Nederland. Verder wordt in de nieuwe regeling alleen belasting berekend over uw inkomsten en vermogen uit Nederland.

Met de komst van de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht vervalt ook de inkomensherziening (de terugploegregeling) en dat is een welkome vereenvoudiging. Nu krijgt u door de terugploegregeling nog te maken met een inkomensherziening wanneer u op enig moment niet langer kiest voor de regels van binnenlandse belastingplicht.

Fiscale partner

Bent u volgens de nieuwe regels een kwalificerende buitenlands belastingplichtige en wilt u dat de Belastingdienst uw partner aanmerkt als fiscaal partner, dan kan dit alleen als u beiden over minimaal 90% van het gezamenlijke inkomen in Nederland belasting betaalt.

Let op!

U krijgt pas te maken met de nieuwe regeling bij uw aangifte inkomstenbelasting over 2015, of al eerder bij een voorlopige aanslag 2015. Tot en met de aangifte 2014 kunt u nog kiezen voor binnenlandse belastingplicht.

TIPS!

TIPS

1. Ook opdrachtgever verantwoordelijk voor juiste VAR-aanvraag

Per 1 januari 2015 wordt een opdrachtgever medeverantwoordelijk voor de juistheid van de VAR-aanvraag (Verklaring Arbeidsrelatie) van de zzp’er. Nu loopt u als opdrachtgever nagenoeg geen risico als u werkt met een zzp’er die in het bezit is van een onterechte VAR-Wuo (winst uit onderneming). Daar komt verandering in. Per 1 januari aanstaande staat namelijk de invoering van de VAR-webmodule gepland. De huidige aanvraagprocedure vervalt dan. De aanvrager ziet direct – na het invullen van een aantal vragen – hoe de Belastingdienst de ingevoerde gegevens over de arbeidsrelatie met een opdrachtgever beoordeelt.

Blijken er onjuistheden in de antwoorden te zitten waardoor sprake is van een onjuiste VAR-aanvraag, dan kan de Belastingdienst u als opdrachtgever aanspreken op de gebleken onjuistheden. Dat kan mogelijk leiden tot naheffingen loonbelasting en premies werknemersverzekeringen, al dan niet in combinatie met een boete. U bent echter alleen medeverantwoordelijk voor bepaalde antwoorden die zijn gegeven en die niet (meer) sporen met de feitelijke werksituatie van de door u ingehuurde zzp’er. Het is niet de bedoeling dat u als bonafide opdrachtgever extra belemmeringen ondervindt van de VAR-webmodule. Hoe een en ander er straks gaat uitzien, wordt binnenkort duidelijk.

2. Hoger premiedeel ZW-flex bij einde eigenrisicodragerschap

Wanneer u na een periode van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet terugkeert naar het UWV, dan kan het zijn dat u per 2015 een hoger premiedeel ZW-flex moet betalen. De hogere premie geldt voor alle (middel)grote werkgevers die na 20 maart 2014 een verzoek indienen om het eigenrisicodragerschap te beëindigen. Van een grote werkgever is in 2014 sprake bij een premieloon in 2012 van meer dan € 3.070.000. U bent een middelgrote werkgever bij een premieloon in 2012 tussen de € 307.000 en € 3.070.000.

Nog niet alle details van deze terugkeerpremie zijn bekend. De hogere premie bij terugkeer zal vermoedelijk gedurende twee kalenderjaren de helft bedragen van de sectorale premie. Afhankelijk van uw individuele risico kan een hogere individuele premie gelden. Voor (middel)grote werkgevers uit sectoren waar de helft van de sectorale ZW-premie lager is dan de feitelijke minimumpremie (2014: 0,14%), heeft de invoering van de hogere premie bij terugkeer geen gevolgen.

>3. Aanscherping aftrek specifieke zorgkosten

Met ingang van 1 januari 2014 is een aantal specifieke zorgkosten niet meer aftrekbaar. Het gaat allereerst om kosten voor bepaalde mobiliteitshulpmiddelen, zoals een rolstoel of een scootmobiel. Schrijft u op bepaalde specifieke zorgkosten (die nu niet meer aftrekbaar zijn) af en loopt deze afschrijving nog door na 31 december 2013, dan mag u het afschrijvingsbedrag nog wel opgeven totdat de afschrijving is afgelopen.

Ook kosten voor aanpassingen aan, in of om een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan zijn niet meer aftrekbaar. U moet daarbij denken aan bijvoorbeeld een hellingbaan, een verlaagd aanrecht of een automatische deuropener. Ook een traplift valt hieronder.

Met name over de aftrekbaarheid van de kosten van een traplift is wat onduidelijkheid ontstaan, omdat dit op de website van de Belastingdienst aan het begin van dit jaar niet goed is gecommuniceerd. Vanaf 11 februari 2014 is op de website echter specifiek aangegeven dat de kosten voor het plaatsen van een traplift niet meer aftrekbaar zijn in 2014.

4. Crisisheffing! Heeft bezwaar wel zin?

Bedroeg het loon van een of meer van uw werknemers vorig jaar meer dan € 150.000, dan bent u een werkgeversheffing hoge lonen (crisisheffing) verschuldigd van 16% over dit meerdere. Als het goed is, heeft u deze extra heffing inmiddels aangegeven en betaald. De crisisheffing – die zowel in 2013 als in 2014 geldt – ligt al enige tijd onder vuur. Een groot aantal werkgevers heeft vorig jaar bezwaar gemaakt tegen de heffing. Inmiddels zijn diverse proefprocedures gestart en zijn de eerste uitspraken in een aantal individuele procedures gepubliceerd. Daarin houdt rechtbank Den Haag vooralsnog de crisisheffing in stand, met name omdat de heffing bedoeld was om het begrotingstekort terug te dringen en het kabinet hiervoor een ruime beoordelingsvrijheid had.

De uitspraak van rechtbank Den Haag zegt echter nog niets over het verdere verloop van de bezwaren tegen de crisisheffing. Er zal nog menig uitspraak volgen – met name in de gestarte proefprocedures – door meerdere rechtbanken. Daarna volgt nog hoger beroep en zal uiteindelijk ook de Hoge Raad (het hoogste rechtscollege) zich waarschijnlijk nog uitspreken over de crisisheffing. De uitkomst is dus nog onzeker en om uw rechten veilig te stellen, lijkt het daarom verstandig om ook dit jaar (tijdig) bezwaar te maken tegen de crisisheffing. Uw adviseur kan u hierover meer vertellen.

5. Investeringsaftrek met terugwerkende kracht

Investeert u in bedrijfsmiddelen, dan heeft u mogelijk recht op investeringsaftrek. Naast de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (wanneer u voor meer dan € 2.300 aan bedrijfsmiddelen investeert) komt u wellicht ook in aanmerking voor de energie-investeringsaftrek (EIA) of de milieu-investeringsaftrek (MIA) wanneer u investeert in bepaalde energiebesparende of milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen. Wilt u in aanmerking komen voor de investeringsaftrek en voldoet u aan alle voorwaarden, dan moet u hierom verzoeken in de aangifte inkomstenbelasting (bij winst uit onderneming) of in de aangifte vennootschapsbelasting.

Wat nu als u in de aangifte vergeet te kiezen voor toepassing van de investeringsaftrek? In dat geval mag u nog binnen vijf jaar een verzoek indienen bij de Belastingdienst voor een ambtshalve vermindering. Deze vijfjaarstermijn vangt aan na het einde van het jaar waarin u de investeringsaftrek in aanmerking had kunnen nemen. Bij een tijdig ingediend verzoek zal de Belastinginspecteur alsnog rekening houden met het bedrag aan investeringsaftrek.

Uw verzoek om ambtshalve vermindering kan mede omvatten het verzoek om onder de investering ook te begrijpen de kosten die u heeft gemaakt voor een energieadvies of voor een milieuadvies.

6. Verdiep u in de werkkostenregeling!

Bent u nog niet overgestapt op de werkkostenregeling, dan wordt het hoog tijd om u hierin te verdiepen. Zoals het er nu uitziet, komt er vanaf 1 januari 2015 een eind aan het ‘oude’ systeem van vergoedingen en verstrekkingen in de loonbelasting en zal de verplichte invoering van de werkkostenregeling niet nog een keer worden uitgesteld. Het is daarom verstandig om u nu alvast te gaan verdiepen in de werkkostenregeling. De implementatie van de regeling neemt namelijk al gauw een aantal maanden in beslag. Het kan zijn dat er dit jaar nog een aantal vereenvoudigingen zullen worden aangebracht om de werkkostenregeling beter hanteerbaar en aantrekkelijker te maken voor het midden- en kleinbedrijf. Uiteraard houden wij u hiervan op de hoogte.

Bij de samenstelling van de teksten is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.

Mei 2014

Gevolgen modernisering Ziektewet uitgelicht

Per 1 januari 2013 is de modernisering van de Ziektewet in werking getreden. De financiële gevolgen van deze modernisering zijn vanaf 1 januari 2014 in werking getreden. Als werkgever krijgt u te maken met hogere kosten als werknemers met een tijdelijk dienstverband ziek uit dienst gaan. Omdat in de praktijk de werking van de moderne Ziektewet niet altijd even duidelijk is, hebben we de veranderingen voor u in kaart gebracht.

Hogere premie

Door de modernisering van de Ziektewet draagt u vanaf 1 januari 2014 meer bij aan uitkeringen vanuit de Ziektewet aan flexwerkers (vangnetters). Flexwerkers zijn in dit verband werknemers die:

  • ziek worden en een fictieve dienstbetrekking hebben, zoals thuiswerkers en provisiewerkers;
  • binnen 4 weken (28 dagen) na het einde van de dienstbetrekking ziek worden. Dit valt onder de nawerking;
  • een (tijdelijk) dienstverband hebben en ziek uit dienst gaan.

Vanaf 1 januari 2014 bestaat de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) uit de volgende drie onderdelen:

  • premiedeel WGA voor vaste dienstbetrekkingen (WGA-vast);
  • premiedeel WGA voor flexibele dienstbetrekkingen (WGA-flex);
  • premiedeel ZW voor flexibele dienstbetrekkingen (ZW-flex).

De gedifferentieerde premie WGA is vanaf 1 januari 2014 opgegaan in de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk).

Let op!
Vanaf 2016 zullen de WGA-vast en de WGA-flex worden samengevoegd. Voor het vaststellen van de hoogte van de gedifferentieerde premie Whk is het van belang of u een kleine, grote of middelgrote werkgever bent. U bent in 2014 een kleine werkgever wanneer uw premieloon in 2012 maximaal € 307.000 was. Van een grote werkgever is in 2014 sprake bij een premieloon in 2012 van meer dan € 3.070.000 en een middelgrote werkgever zit tussen beide in.

Een kleine werkgever betaalt een sectorpremie, een middelgrote werkgever een sectorpremie en een individuele premie en een grote werkgever alleen een individuele premie. Bij middelgrote en grote werkgevers speelt voor de hoogte van de premie daarom ook het aantal (ex-)werknemers die in 2012 een ZW-uitkering of een WGA-uitkering hadden, een rol.

Volg uw zieke werknemers

De premie kan dus deels afhankelijk zijn van het arbeidsongeschiktheidsrisico in uw onderneming. Door de modernisering van de Ziektewet is het nog belangrijker om aan ‘schadebeheersing’ te doen. Zorg dat uw Ziektewet- en WIA-administratie op orde is en dat u weet welke werknemers ziek uit dienst zijn gegaan of kort daarna ziek zijn geworden. Wordt een werknemer na de dienstbetrekking bij u binnen 28 dagen ziek, dan is sprake van nawerking, waardoor u op termijn wellicht een hogere gedifferentieerde premie Whk moet betalen.

Tip:
Wellicht kunt u, als de dienstbetrekking eindigt, samen met uw (ex-)werknemer direct een ww-uitkering aanvragen. Zo voorkomt u het risico van nawerking. De voormalig werknemer die vanuit de ww ziek wordt, valt namelijk niet onder de nawerking.

Gevolgen voor de eigenrisicodrager

De modernisering van de Ziektewet heeft ook gevolgen wanneer u eigenrisicodrager bent voor de Ziektewet. U betaalt vanaf 1 januari een lagere gedifferentieerde premie Whk, omdat u het premiedeel ZW-flex niet hoeft te betalen. U draagt wel het risico voor overlijdensuitkeringen aan nabestaanden van werknemers met een ZW-uitkering die onder het eigen risico vallen (dus ook flexwerkers).

Door de modernisering van de Ziektewet is er een toestroom waargenomen van werkgevers die per 1 januari 2014 eigenrisicodrager zijn geworden voor de Ziektewet. Daarnaast is er ook nog een onevenwichtigheid geconstateerd. Wanneer een grote werkgever na een bepaalde periode van eigenrisicodragerschap terugkeert naar het UWV, is deze de eerste twee jaar na terugkeer een minimumpremie verschuldigd. Dit staat volgens het kabinet niet in verhouding tot het ZW-risico.

Er zijn daarom plannen om per 1 januari 2015 een terugkeerpremie te gaan invoeren die zal gelden voor alle (middel)grote werkgevers die na een periode van eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet terugkeren naar het UWV.

Opname stamrecht. Wel of niet verstandig?

Heeft u als directeur-grootaandeelhouder (dga) in het verleden een ontslagvergoeding (gouden handdruk) ondergebracht in een stamrecht bij uw bv, dan krijgt u dit jaar de mogelijkheid om met extra korting uw stamrechtaanspraak in één keer op te nemen. Of dit aantrekkelijk is, hangt van uw persoonlijke wensen af. Bovendien moet u er rekening mee houden dat het bepalen van de afkoopwaarde van een stamrecht in eigen beheer allesbehalve simpel is.

Opname met korting

Vanaf dit jaar mag u de stamrechtaanspraak in één keer opnemen. Doet u dat dit jaar, dan profiteert u van de 80%-regeling. Dat wil zeggen dat u slechts over 80% – in plaats van 100% – van de uitkering belasting hoeft te betalen. Bovendien bent u geen 20% revisierente verschuldigd over de waarde van het stamrecht.
Ook na 2014 kunt u uw stamrechtaanspraak echter in één keer laten uitkeren. Deze wordt dan wel voor 100% belast, maar ook dan bent u géén revisierente verschuldigd.
Tot slot kunt u ook besluiten om uw stamrecht gewoon volgens de oude regels te continueren. U betaalt dan belasting op het moment dat u een uitkering uit het stamrecht ontvangt.

Eenmalige opname

Het is niet zonder meer aantrekkelijk om het stamrecht dit jaar in één keer op te nemen. U profiteert dan wel van de 20%-korting, maar u moet nog steeds over een fors bedrag afrekenen. De uitkering kan dus zorgen voor een ‘piek’ in uw inkomen. Die piek is er niet bij gespreide uitkeringen uit het stamrecht. Bij gespreide uitkeringen bent u op termijn dan ook wellicht minder belasting kwijt.

Tip:
De inkomenspiek bij het eenmalig uitkeren van het stamrecht kan enigszins worden verzacht wanneer u gebruik kunt maken van de middelingsregeling. Uw SRA-adviseur kan u hier meer over vertellen.
Misschien heeft u al een bestemming voor het nettobedrag dat u overhoudt na eenmalige opname van de stamrechtaanspraak. Wees er in ieder geval op bedacht dat dit nettobedrag mogelijk ook nog meetelt voor de heffing in box 3 van de inkomstenbelasting.

Afkoopwaarde

Opname is niet altijd mogelijk. Uw bv moet namelijk wel voldoende dekking hebben om de stamrechtaanspraak uit te keren. Daar komt nog bij dat de afkoopwaarde van de stamrechtaanspraak niet eenvoudig te bepalen is. U mag namelijk niet uitgaan van het bedrag dat als stamrechtvoorziening is opgenomen op de fiscale balans van de bv, maar het uitgangspunt is de afkoopwaarde die een bank of een onafhankelijke verzekeraar ook zou hanteren. Niet alleen een zogeheten reservewaarde telt daarom mee, maar ook diverse kosten- en winstopslagen en zelfs uw gezondheidstoestand kunnen een rol spelen.

Let op!
De regels voor het bepalen van de afkoopwaarde van uw stamrecht zijn bijzonder ingewikkeld. Laat u daarom deskundig bijstaan door uw SRA-adviseur. Het is in ieder geval verstandig om een afkoop van het stamrecht van tevoren voor te leggen aan de Belastinginspecteur.

Wijziging btw

Op 1 januari 2015 veranderen de btw-regels voor telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten verricht aan niet-belastingplichtige afnemers. Verricht u als zakelijk dienstverlener dergelijke diensten aan niet-belastingplichtige afnemers (zoals particulieren) binnen de EU, houd dan op tijd rekening met de gewijzigde regels. Nu zijn dergelijke diensten nog in Nederland belast met 21% btw. Vanaf 1 januari 2015 zijn deze diensten belast in het land waar de niet-belastingplichtige afnemer woont.

Telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten

De gewijzigde regels zijn alleen op u van toepassing wanneer u een aanbieder bent van:

  • telecommunicatiediensten, zoals telefoon en sms;
  • elektronische diensten, zoals het bouwen en onderhouden van websites en software, het toegang geven tot databanken of het downloaden van muziek, films of spellen. Ook e-learning kan
    hieronder vallen;
  • omroepdiensten, zoals radio en televisie.

Wanneer u dergelijke diensten levert aan niet-belastingplichtige afnemers (consumenten/particulieren) binnen de EU, dan krijgt u te maken met de nieuwe plaats-van-dienst-regels in de btw.

Nieuwe btw-regels

Nu moet u over dergelijke diensten nog 21% Nederlandse btw in rekening brengen. Door de nieuwe btw-regels zijn deze diensten vanaf 1 januari 2015 belast in het EU-land waar uw afnemer (consument) woont. Dat betekent dat u binnen de EU te maken kunt krijgen met 28 verschillende btw-tarieven en 28 btw-registraties.
Om het u makkelijker te maken, is er straks de mini one-stop-shop-regeling (one-stop-registratie). Hierdoor mag u, onder voorwaarden, gewoon in Nederland aangifte doen voor de belasting die u in andere EU-lidstaten verschuldigd bent. De Belastingdienst zorgt ervoor dat de verschuldigde btw dan bij de juiste buitenlandse Belastingdiensten terechtkomt. U bent niet verplicht om gebruik te maken van de one-stop-registratie. Kiest u hier niet voor, dan moet u in elke lidstaat van verbruik afzonderlijk btw-aangifte doen.

Let op!
De one-stop-registratie is een administratieve lastenverlichting. U mag de btw dan wel in Nederland aangeven, maar u moet desondanks wel het btw-tarief berekenen dat geldt in het land waar de consument woont. Naast uw gebruikelijke btw-aangiften moet u ook nog aparte btw-meldingen doen. De wijziging kan betekenen dat u in 2015 soms meer en soms minder btw verschuldigd bent over uw diensten. Is het btw-tarief in het land van de consument lager dan 21%, dan bent u dus minder verschuldigd. Andersom kan natuurlijk ook.

Inspelen op veranderingen

U zult nu al rekening moeten houden met de wijzigingen. Zo zullen uw IT-systemen moeten worden aangepast om ervoor te zorgen dat u straks de juiste btw-tarieven van de landen waar de consumenten wonen, berekent. Deze btw-tarieven kunnen ook weer wijzigen. U zult dus moeten blijven monitoren per land of er een tariefwijziging in de btw heeft plaatsgevonden. Tot slot moet u ook nadenken of u een btw-verhoging wel wilt doorberekenen aan uw klanten binnen de EU. Een prijsstijging maakt u wellicht minder aantrekkelijk voor deze klanten.

Innovatiebox onder de loep

Voor bedrijven in de vennootschapsbelasting geldt een speciaal fiscaal regime voor inkomsten uit innovatie: de innovatiebox. Hiermee kunt u aanzienlijk belasting besparen, maar de innovatiebox is niet bepaald ‘gebruiksvriendelijk’. Met name kleine innovatieve bedrijven blijken maar weinig gebruik te maken van deze mogelijkheid. Hoog tijd om de innovatiebox eens onder de loep te nemen.

Innovatiebox in vogelvlucht

Behaalt u winst met innovatieve activiteiten, dan kunt u wellicht gebruikmaken van de innovatiebox in de vennootschapsbelasting. Op verzoek geldt dan een effectieve heffing van 5%. Om de innovatiebox toe te kunnen passen, moet u winst behalen met een door u zelf ontwikkeld immaterieel activum waarvoor u een octrooi (of kwekersrecht) of een S&O-verklaring heeft gekregen. Bij immateriële activa kunt u denken aan nieuwe productontwikkelingen, verbeterde productieprocessen en ontwikkeling van software. Merken, logo’s en dergelijke vallen hier niet onder.

Tip:
Voor toepassing van de innovatiebox is het niet noodzakelijk dat de immateriële activa op de balans van de onderneming worden vermeld. U kunt pas kiezen voor de innovatiebox als de te verwachten voordelen in belangrijk mate hun oorzaak vinden in de aan u verleende octrooien of S&O-activa. Die voordelen zijn overigens pas laag belast (effectieve heffing van 5%) als u de voortbrengingskosten heeft ingelopen. De innovatiebox kent namelijk een boxdrempel. Deze drempel bestaat uit het saldo van de in te lopen voortbrengingskosten van immateriële activa en de voortbrengingskosten in het boekjaar zelf. De voordelen moeten dus groter zijn dan de voortbrengingskosten die u heeft afgetrokken tegen het reguliere tarief in de vennootschapsbelasting.

Let op!
De uitvoering van de innovatiebox is zéér specifiek. Het is daarom verstandig om u hierover goed te laten informeren.

Forfaitaire regeling

Om de innovatiebox wat toegankelijker te maken voor het mkb, is er sinds 1 januari 2013 een forfaitaire regeling voor het bepalen van de innovatiewinst. Kunt u de innovatiebox toepassen, dan mag u 25% van uw totale jaarwinst aanmerken als voordelen uit innovatieve activiteiten. U hoeft dan geen rekening te houden met de drempel. Er geldt wel een (jaar)maximum van € 25.000. Hierdoor levert de forfaitaire regeling bij een vennootschapsbelastingtarief van 20% u uiteindelijk een fiscaal voordeel op van maximaal € 4.000 per jaar. U kunt elk jaar kiezen of u de forfaitaire regeling wel of niet toepast. Het forfait is echter niet onbeperkt. U kunt het alleen toepassen wanneer u in het jaar zelf of in de twee voorafgaande jaren een immaterieel activum heeft voortgebracht. Vervalt het forfait, dan kunt u nog wel op de normale wijze de innovatiebox toepassen. Het werkelijke voordeel uit immateriële activa moet dan alsnog worden bepaald met inachtneming van de drempel.

Let op!
Kiezen voor de forfaitaire regeling is niet altijd voordelig. Zo is de reguliere regeling aantrekkelijker als u denkt meer dan 25% winst te behalen met innovatieve activiteiten of als het voordeel meer is dan het gemaximeerde forfaitaire bedrag van € 25.000.

TIPS!

1. Uitstel invoering depotstelsel

In de MKB-nieuwsbrief deel 2 van dit jaar heeft u kunnen lezen dat vanaf 1 juli 2014 het bestaande
g-rekeningenstelsel gefaseerd zou worden vervangen door het depotstelsel. Vanaf 1 juli 2015 zou het g-rekeningenstelsel dan definitief vervallen. De Belastingdienst heeft echter recentelijk bekend gemaakt dat de geplande invoering van het depotstelsel niet zal worden gehaald. Aan de banken is inmiddels gevraagd om de g-rekeningen langer te ondersteunen.

Of en wanneer het depotstelsel zal worden ingevoerd, is op dit moment niet te zeggen. Er komt namelijk een heroriëntatie op de toekomst van het depotstelsel. Bij deze heroriëntatie zullen zowel de belangen van de banken als die van het bedrijfsleven – die nu gebruikmaken van de g-rekening –worden meegenomen.

2. Slim investeren in energiebesparende maatregelen

Sinds 21 januari 2014 kunt u als woningeigenaar met de nieuwe energiebespaarlening relatief goedkoop investeren in een energiezuiniger huis. Met de lening kunnen diverse energiebesparende maatregelen worden gefinancierd, bijvoorbeeld het isoleren van uw woning of de aanschaf van een hr-ketel. Ook zonnepanelen horen tot de mogelijkheden. Daarbij geldt wel een restrictie. U kunt maximaal 50% van de lening gebruiken voor zonnepanelen; de andere 50% van het leenbedrag moet u gebruiken voor andere energiebesparende maatregelen. Aan de energiebespaarlening zijn wel wat voorwaarden verbonden. Het gaat om een annuïtaire lening van minimaal € 2.500 en maximaal € 25.000. De energiebespaarlening is alleen beschikbaar voor particuliere eigenaren van bestaande woningen. De looptijd van de lening is, afhankelijk van de hoogte van de lening, 7 of 10 jaar. De rente staat gedurende de looptijd van de lening vast. Wilt u meer weten over de energiebespaarlening, kijk dan op www.ikinvesteerslim.nl.

3. Crisisheffing? Maak op tijd bezwaar!

Bedroeg het loon van een of meer van uw werknemers vorig jaar meer dan € 150.000, dan bent u een werkgeversheffing hoge lonen (crisisheffing) verschuldigd van 16% over dit meerdere. U moet de crisisheffing aangeven in het aangiftetijdvak waarin 31 maart 2014 valt en op tijd betalen. Doet u maandaangifte loonheffingen, dan is de uiterste aangifte- en betaaldatum 30 april 2014. Aanvankelijk zou de crisisheffing alleen voor 2013 gelden. De heffing is echter met één jaar verlengd naar 2014. Zoals het er nu naar uitziet, gaat het om een eenmalige verlenging en krijgt u in 2015 niet weer te maken met de crisisheffing.

Tip:
Heeft uw werknemer in 2013 zijn volledige tegoed van de levenslooprekening opgenomen en heeft u loonheffingen ingehouden over 80% van dat tegoed, dan hoeft u dit niet mee te tellen bij het bepalen of uw werknemer in 2013 meer dan € 150.000 verdiende.
Er is veel te doen over de crisisheffing. Deze zou in strijd zijn met Europees recht. Daar komt nog bij dat de heffing slechts eenmalig zou zijn in 2013, maar inmiddels wel is verlengd naar 2014. Het kan daarom verstandig zijn om (wederom) bezwaar te maken. Het bezwaar moet wel tijdig zijn ingediend, dat wil zeggen binnen zes weken na betaling van de verschuldigde loonheffingen. Neem hiervoor contact op met uw SRA-adviseur.

4. Tijdelijke oplossing voor bijbetalingsplicht bij waardeoverdracht pensioen

Een werknemer die van werkgever verandert, mag zijn opgebouwde pensioenaanspraken meenemen naar de pensioenregeling van zijn nieuwe werkgever. Bij deze waardeoverdracht van pensioen kan een werkgever geconfronteerd worden met soms forse bijbetalingslasten. Daarom is de plicht tot bijbetaling voor ‘kleine’ werkgevers in 2013 tijdelijk beperkt. Deze tijdelijke beperking loopt door in 2014.Werkgevers met een loonsom tot een bedrag van 25 keer de gemiddelde premieplichtige loonsom (25 x € 30.700 = € 767.500) kunnen voorlopig ook dit jaar een beroep doen op de tijdelijke beperking van de plicht tot waardeoverdracht bij bijbetalingslasten. Het blijft echter een tijdelijke oplossing waar de Tweede en Eerste Kamer zich nog over moeten buigen.
Waarschijnlijk wordt het wettelijke systeem van individuele waardeoverdracht van pensioenaanspraken herzien. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe het herziene systeem eruit gaat zien. Wat wel overeind blijft, is de vrijheid van werknemers om bij baanwisseling te kiezen voor het al dan niet overdragen van hun opgebouwde pensioenaanspraken naar de pensioenregeling van hun nieuwe werkgever.

5. Plannen voor verdere aanpassing gebruikelijkloonregeling

Met ingang van 2015 wordt de marge in de gebruikelijkloonregeling waarschijnlijk aangepast. Het gebruikelijk loon voor 2014 is vastgesteld op € 44.000. Dit loon kan echter ook hoger uitvallen als bij soortgelijke dienstbetrekkingen, waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, een hoger loon gebruikelijk is. Uw loon moet dan worden gesteld op 70% van dit hogere gebruikelijk loon, maar minimaal € 44.000. U heeft nu dus nog een marge van 30%, oftewel uw loon mag niet meer dan 30% afwijken van het gebruikelijk hogere loon. In 2015 gaat deze marge van 30% waarschijnlijk omlaag naar 10%. Mogelijk is het aanpassen van de marge niet de enige aanpassing voor 2015. Momenteel wordt onderzocht of ook de criteria van de gebruikelijkloonregeling aanpassing behoeven. Zo zal worden bekeken of het vereiste dat een directeur-grootaandeelhouder (dga) volgens de gebruikelijkloonregeling minimaal hetzelfde moet verdienen als zijn best betaalde werknemer, wellicht vervangen kan worden voor een eerlijkere set van criteria om een marktconform loon te bepalen. Een andere optie is een lager loon voor de beginnende dga. In het najaar zullen eventuele plannen met het gebruikelijk loon verder worden vormgegeven.

6. Hervorming kindregelingen een stap dichterbij

Op dinsdag 11 maart 2014 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel hervorming kindregelingen. Als ook de Eerste Kamer instemt met dit wetsvoorstel, dan blijven er van de bestaande elf kindregelingen in 2015 nog maar vier over. De kinderbijslag, het kindgebonden budget, de combinatiekorting en de kinderopvangtoeslag zullen blijven bestaan. In de inkomstenbelasting verdwijnen dan de alleenstaande-ouderkorting, de ouderschapsverlofkorting en de aftrek uitgaven voor levensonderhoud van kinderen. Er blijft wel inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders. Dit zal gebeuren met een alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget. Verder wordt de inkomensondersteuning meer gericht op ouders met lagere inkomens.

Met name het afschaffen van de aftrek uitgaven voor levensonderhoud van kinderen zullen gescheiden ouders flink in hun portemonnee gaan voelen. Nu is het nog mogelijk dat een ouder die een bepaald minimumbedrag per kwartaal bijdraagt aan de kosten van levensonderhoud, onder voorwaarden, een forfaitair bedrag per kwartaal in aftrek kan brengen. Volgend jaar is deze aftrek waarschijnlijk verleden tijd. Dit kan betekenen dat ook echtscheidingsconvenanten wellicht moeten worden herzien. Bij de samenstelling van de teksten is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.

Terug naar overzicht